Maandag 08/08/2022

PamfletAnton Jäger

Populisme ontcijferd: de villa van de partijdemocratie is uitgeleefd

null Beeld Thijs Lansbergen
Beeld Thijs Lansbergen

Anton Jäger is historicus van het politieke denken aan het Leuvense Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Dit is een ingekorte versie van Onder populisten: pamflet over een onbegrepen probleem (Paul Verbraeken-lezing 2022). Zijn eerste column voor deze krant verschijnt dinsdag.

Anton Jäger

“Ik weet eigenlijk niet waarover ik het heb, maar ze hebben mij wel gevraagd er iets over te zeggen.” Van alle definities van het woord ‘populisme’ die ons in de laatste jaren zijn voorgesteld, blijven er weinig zo sterk hangen als de kwinkslag van de Hongaarse intellectueel Gáspár M. Tamás. Tamás pende zijn woorden neer eind 2017, een jaar na de verkiezing van Donald Trump en het Britse brexitreferendum, een schone eeuw na de Russische Revolutie. Dat populisme bleef volgens Tamás slecht begrepen, op het mysterieuze af, een zwarte doos die politici, academici en burgers maar niet ontcijferd kregen. Waarop sloeg het?

Tamás’ uitspraak is amusant maar ook intellectueel oneerlijk. Veel gepraat over het woord ‘populisme’ is nog steeds dat – gepraat – en verdient eigenlijk met moeite de titel politieke analyse. Toch is de literatuur over populisme de laatste jaren omvangrijker, gevarieerder en beter geworden dan ooit tevoren – in alle talen en vakgebieden. We weten vandaag meer over populistische kiezers, politici, partijen, gedragingen en regeringen (want die zijn er ook ondertussen, van Italië tot India) dan vroeger, en we beschikken ook over een veel breder aanbod van definities. In die literatuur is ook steeds sterker een zekere consensus zichtbaar. Al met al verschijnt het populisme als de uitdrukking van een almaar sterker ‘gedesorganiseerde’ democratie, waarin burgers partijen verlaten, technocraten de macht grijpen en het middenveld aan macht inboet. Het populisme leeft daarmee van de erosie van de categorieën die ons 20ste-eeuwse politieke leven onderschreven – christen, vrijzinnige, arbeider, bediende, burger, werkgever. Het hedendaagse populisme manifesteert zich dan als iets diep eigentijds én oneigentijds. Het drukt enerzijds een hedendaagse crisis van onze democratie uit, inherent aan de laatste 30 jaar. Maar tegelijkertijd reactiveert het een grondvraag over die moderne democratie (Wie is dat volk? Wie behoort er eigenlijk tot dat volk?) die al meer dan 200 jaar speelt.

Dat uit zich ook in het taalkundige traject van de term door de 20ste eeuw. Tot diep in de jaren 80 werd het woord ‘populisme’ in onze contreien eigenlijk amper gebezigd, tenzij in een gesegmenteerde vakliteratuur. Amerikanen gebruikten het woord al eens vaker, maar voor hen verwees het vooral naar hun eigen Populisme eind 19de eeuw, een radicale boerenbeweging die in 1892 een derde Amerikaanse partij stichtte en daarmee de wereld de term ‘populisme’ schonk.

Getalenteerde smokkelaars

Hoe vond dat Amerikaanse product dan zijn clandestiene weg naar Europa? Zoals gewoonlijk bleken academici en journalisten hier de meest getalenteerde smokkelaars. Pas in de jaren 70 en 80 begon een ontluikend veld van studies rond extreemrechts de term intensiever te gebruiken, wat vervolgens hypes op krantenpagina’s aanwakkerde. Onze verslaving aan de term kan niet uitsluitend worden gelezen als het kind van een academische samenzwering. Er is een welbedachte reden waarom we zo gevoelig reageren op het woord en waarom het in de laatste 20 jaar zo’n doorslaand succes heeft gekend. Dat is niet alleen een marktprestatie: de opkomst van de term correleert nauw met diepe veranderingen in de Europese samenlevingen sinds het einde van de jaren 70. Wat zijn die?

Een eerste, kardinale factor is de trage maar gestage neergang van de Europese partijdemocratie sinds 1973. In de lage landen verwees deze verzuiling naar aparte sferen voor socialistische, liberale en christelijke partijen, zichtbaar in eigen kranten, ziekenhuizen en jeugdclubs. ‘“’t Is al politiek!” schreeuwt de vader in Hugo Claus’ Het verdriet van België, “wij zijn verziekt van de politiek!”’

In de afgelopen 30 jaar zijn die pijlers van die partijdemocratie geleidelijk aan uitgehold en afgevijld. Twee processen blijven daarvoor symptomatisch. Het eerste is een dalend ledental van de partijen over de hele linie, gekoppeld aan de toenemende leeftijd van hun leden. De Duitse SPD ging van 1 miljoen leden in 1986 naar 660.000 in 2003; de Nederlandse socialisten gingen van 90.000 naar 57.000. De Franse Communistische Partij (PCF) tuimelde van 632.000 in 1978 naar 210.000 in 1998; de Italiaanse zusterpartij ging van 1.753.323 naar 621.670 in 1998, om daarna in de Partido Democratico te verdwijnen. De Britse Labour-partij verzamelde 675.906 leden in 1978, teruglopend tot 200.000 in 2005. Het tweede symptoom is een opmerkelijke daling in verkiezingsdeelname en participatie. In alle Europese democratieën stemmen de burgers minder en wonen ze minder referenda bij dan hun voorgangers. Het contrast met Claus’ “’t is al politiek!” is evident.

‘Regeren over de leegte’

De Ierse politicoloog Peter Mair heeft het resultaat van deze uitholling treffend omschreven als “regeren over de leegte” (ruling the void). Er ligt sinds circa 1989 een braakland tussen Europese burgers en staten. De verhouding tussen burger en politiek wordt daardoor ingrijpend gewijzigd. Politici hebben nu zo weinig voeling met wat er onder hun bevolking leeft, dat ze wel moeten speculeren over wat een succesvol programma zou zijn. Aangezien de partij zelf dergelijke informatie niet langer kan vergaren, moeten andere kanalen worden aangeboord, de meeste in de groeiende consultancy-industrie.

Die afstand ontstond ook voor de andere steunbalk van partijen – de staat. Sinds de jaren 90 deed er zich daar een breuk voor tussen twee activiteiten die in het naoorlogse tijdperk met elkaar verbonden waren: politiek en beleid. ‘Beleid’ staat hier voor de methoden waarmee staten hun samenleving ordenen en ingrijpen in hun economie. ‘Politiek’ omvat het proces van wat politieke theoretici ‘wilsvorming’ noemen: concurrentie tussen partijen, het opzetten van campagnes, het smeden van coalities.

Ziedaar dus het vulkanische landschap waarin het populisme floreert. Maar een nieuw ecosysteem schept natuurlijk ook kansen. De leegloop van massapartijen en de voortschrijdende vervreemding tussen politici en burgers kan enkel tijdelijk met televisiespots en marketingstunts worden afgewend. Op een moment wraakt de werkelijkheid zich, en al zeker in tijden van economische laagconjunctuur. Zo verscheen in de jaren 2010 een nieuw, specifiek links populisme op de scène, een populisme dat zich letterlijk aan een sprong in de politieke leegte waagde, en ‘klasse’ voor ‘volk’ wilde inwisselen.

Twee jaar pandemie

Zo poogde dat links populisme ook het onverzoenbare te verzoenen. Het was te ‘links’ om ten volle te profiteren van het uiteenvallen van het traditionele partijsysteem, maar ook te populistisch om een antwoord te bieden op een aantal belangrijke organisatorische kwesties. Partijen zoals de Italiaanse Vijfsterrenbeweging waren altijd gretig om de links-rechtsbreuklijn achter zich te laten en voor een ‘catch all’-benadering te kiezen. Podemos werd daarentegen steeds opnieuw ingehaald door zijn uiterst linkse verleden.

Dat links-populisme lijkt zich nu al terug te trekken in de mist van de geschiedenis, opzijgeschoven door twee jaar pandemie. Toch lijkt de erfenis van het ‘populisme’ zowel op links als op rechts niet gering: het zogenaamde ‘postpolitieke’ tijdperk van de jaren 2000 en 1990 lijkt nu definitief ten einde. Het einde van de massapolitiek luidde toen een door en door private wereld in, waarin mensen zich hadden terugtrokken in de persoonlijke levenssfeer, en politiek naar de achtergrond was verdrongen terwijl technocraten het voor het zeggen hadden.

Tien jaar later is een nieuw genre politiek wel degelijk terug – in populaire Netflix-programma’s, in dieetboeken en Facebook-groepen, in zelfbeschrijvingen en genderetiketten op socialemediaprofielen. Bij veel links-liberalen heeft deze hetze geleid tot een verlangen naar een tijdperk vóór deze hyperpolitiek, “een nostalgie naar de posthistorie” van de jaren 1990 en 2000, toen markten en technocraten het voor het zeggen hadden, en vrouwen het Verdrag van Maastricht op het strand lazen.

Vervallen herenhuis

De houdbaarheidsdatum van die ‘postpolitiek’ is duidelijk verstreken – mede dankzij de populisten en de toenemende ontbinding van de neoliberale consensus op rechts. Maar in plaats van een heropleving van de oude massapolitiek – compleet met een renaissance van massapartijen, vakbonden en militanten – lijkt er een stap te zijn overgeslagen: waar het leven van mensen in allerlei opzichten op die manier intens gepolitiseerd is, zijn slechts weinige medeburgers betrokken bij het soort georganiseerde belangenconflicten dat we ooit als ‘politiek’ zouden hebben omschreven in de klassieke, twintigste-eeuwse zin.

Die gotische villa van de partijdemocratie is duidelijk uitgeleefd. De inwoners willen verhuizen, verhuren, verkassen of een andere, modernere woning uitbouwen. De Vlaamse socialisten zoeken onder Conner Rousseau directe toegang tot een meer virtueel volk. Bij The Big Shift worden leden en niet-leden geconsulteerd, die worden bijgestaan door technische adviseurs, buiten de rode zuil om. Maar zelfs een vervallen herenhuis is beter dan een lint tentjes in het niemandsland, en instituten bestaan en ontstaan altijd om een reden. In tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk of Frankrijk overleefde in België een deel van het middenveld wél de neoliberale jaren 1990 en 2000: vakbonden, ziekenfondsen en middenveldorganisaties hebben nog altijd aanzienlijke ledenaantallen. De syndicaliseringsgraad steeg in de voorbije tien jaar zelfs boven de 50 procent, ondanks de vorderende professionalisering van veel ledenorganisaties.

‘Ik-populisme’

Tezelfdertijd vervullen die bemiddelende organen hun taak almaar minder met politieke ruggensteun, en worden van lieverlee politieke weeskinderen. Denk aan de stiefmoederlijke houding van CD&V tegenover het ACV, de open afkeer van delen van het ABVV voor Vooruit, of de moeizame verhouding tussen de Vlaamse Volksbeweging en N-VA. Partijen zoals PVDA spelen nu behendig in op die vervreemding. Daarmee politiseren ze een verweesd middenveld openlijk vanop links. Dat middenveld biedt dus wel degelijk mogelijkheden om het latente ‘ik-populisme’ te marginaliseren en verzwakken. Een verdediging van Belgiës sociale patrimonium kan tenslotte ook zonder tricolore in de vuist, of met nostalgie voor de paarse jaren 1990 en 2000.

Het postpolitieke tijdperk loopt ten einde. Het populisme biedt ons nu een broos maar nukkig alternatief voor de politiek die we uit de vorige eeuw kenden – als een depressieve patiënt die uit zijn verstomming springt om hyperkinetisch te worden, zonder ooit de voorgaande symptomen serieus te nemen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234