Vrijdag 14/08/2020

OpinieLeni Franken en François Levrau

Ook van een toekomstig ingenieur, jurist of arts mag je correct Nederlands verwachten

Studenten van de UAntwerpen legden zo corona-proof mogelijk hun examen af in de Waagnatie.Beeld Damon De Backer

Leni Franken, dr. Wijsbegeerte (UAntwerpen). François Levrau, dr. Sociale Wetenschappen (UAntwerpen).

De maand juni is niet alleen voor studenten, maar ook voor docenten en hun assistenten een vreselijke maand. Honderden examens moeten worden nagelezen en gequoteerd. Idealiter kennen de studenten de materie tot in de puntjes en zijn ze in staat deze kennis accuraat te formuleren. Dergelijke excellente studenten zijn echter zeldzaam. Wat helaas minder zeldzaam is, zijn studenten die de leerstof dan wel tot op zekere hoogte beheersen, maar er niet in slagen om die in correct geformuleerde zinnen neer te schrijven. De elementaire syntaxis- en spellingsregels worden amper gevolgd, hoofdletters en leestekens worden genegeerd en ook aan de opbouw van het antwoord schort vaak heel wat.

Enkele voorbeelden van universiteitsstudenten uit de tweede en derde bachelor maken duidelijk waarover het gaat: “hiermee bedoeld men dat iedereen gelijk is voor de wet. dus wat de wet ons heeft toegewezen dat dit moet behouden worden en niet extra nieuwe dingen moeten bij komen.” “In liberal education zitten exictentiële bekommernissen verankert.” “We willen allemaal telkens jonger lijken, en terwijl ouder worden. De wetenschap gaat zelfs zo ver, dat het aan het achterhalen is waarom we ouder worden. En dit proces ook een ‘halt’ te kunnen toezeggen.”

Dit erbarmelijke taalgebruik komt, voor alle duidelijkheid, niet enkel voor bij eerstejaarsstudenten en studenten met een allochtone achtergrond, maar ook bij laatstejaarsstudenten en studenten die het Nederlands als moedertaal hebben. Hoe moet men nu die antwoorden beoordelen? Streng op taal verbeteren, betekent dat de helft meteen gebuisd is. Maar moet het feit dat universiteitsstudenten ‘taalmoe’ zijn dan zomaar door de vingers worden gezien?

Van iemand met een universitair diploma kan, mag en moet men verwachten dat hij of zij niet enkel over vakspecifieke kennis beschikt, maar ook ‘maatschappelijk geletterd’ is, een analytisch vermogen heeft en in staat is om correct Nederlands te schrijven. Wie de wereld wil begrijpen, beschikt het best over een rijke woordenschat en ervaart geen probleem met complexe taal. Net daarom dient een universiteit – bij uitstek de plaats van kennis, onderzoek, discussie en nuance – de ‘taallat’ hoog te leggen. Wie de lat te laag legt en snel tevreden is, geeft de boodschap mee dat nonchalance wordt beloond.

Recent werd bericht dat één op de acht werkzoekenden in Vlaanderen slechts een beperkte kennis van het Nederlands heeft, terwijl er voor de meerderheid van de vacatures goede tot zeer goede taalbeheersing wordt verwacht (DM 29/6). Dat het met de greep op de Nederlandse taal zo slecht gesteld is, hoeft niet te verbazen. Uit onderzoek blijkt dat amper acht op de tien leerlingen op het einde van de basisschool voldoet aan de eindtermen en dat een steeds groter wordende groep de minimumdoelstellingen niet haalt. “Zowel voor lezen als voor luisteren scoorden de zesdejaars in 2018 significant slechter dan vijf jaar eerder.” (DM 5/4/’19) Deze trend zet zich verder in het secundair onderwijs en wordt uiteindelijk pijnlijk duidelijk in het hoger (universitair) onderwijs.

Om dit probleem aan te pakken is een mentaliteitswijziging nodig. Estland, Finland en Ierland zijn alvast landen die sterk hebben ingezet op taalvaardigheid en op taal- en leesplezier. Dat werpt zijn vruchten af. Vlaanderen kan niet achterblijven. De nieuwe eindtermen zijn dan ook broodnodig, net zoals de aanwezigheid van goed opgeleide leerkrachten basisonderwijs en van gedreven taalleerkrachten die erin slagen om, tegen de trend van de oprukkende beeldcultuur in, hun leerlingen een zeker enthousiasme voor de taal bij te brengen. Het belang van taal en literatuur mag wat ons betreft ook wat vaker beklemtoond worden, bijvoorbeeld aan de hand van een taalcampagne.

In eerste instantie moet dus het taalniveau in het basis- en secundair onderwijs opgekrikt worden. Dat is niet evident. Via sociale media komen jongeren immers voortdurend met vluchtig en incorrect taalgebruik in contact waardoor ze de eigen taalfouten niet meer herkennen en niet meer kunnen overschakelen van een informeel naar een formeel taalregister. Om het tij te keren is het aangewezen jongeren vaker aan het lezen te zetten en hen ‘le plaisir de lire’ bij te brengen (wat minder Fortnite, Netflix en TikTok en wat meer Roald Dahl, Thea Beckman en Jeroen Brouwers), alsook om strenger op te treden bij vluchtig en slordig taalgebruik. Dat vergt een gezamenlijke inspanning van leerkrachten, ouders en opvoeders. Ook de universiteiten kunnen een steentje bijdragen door bijvoorbeeld binnen alle faculteiten in te zetten op taalvaardigheid. Met het oog op inclusief en democratisch onderwijs kan er rekening worden gehouden met bepaalde onderwijs- en examenfaciliteiten voor een aantal studenten, maar taal moet een belangrijk criterium blijven in de beoordeling. Ook van een toekomstig ingenieur, jurist of arts mag toch verwacht worden dat hij correct schrijft?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234