Zaterdag 31/10/2020

OpinieBart Criel en Janneke Ronse

Onze les uit de coronacrisis? Organiseer gezondheidszorg meer lokaal

Doktersbezoek in coronatijden.Beeld videostill

Bart Criel is hoogleraar volksgezondheid aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen, en Janneke Ronse is voorzitter van Geneeskunde voor het Volk. 

De Covid-19-pandemie onderwerpt ons gezondheidssysteem aan een nooit geziene stresstest. Sterke maar ook zwakke punten worden blootgelegd. Wij moeten daar lessen uit trekken om te bouwen aan een betere gezondheidszorg. Niet enkel om deze tweede golf aan te kunnen, maar ook voor de verdere toekomst. 

We willen een beleidsniveau dat dicht bij de realiteit van het terrein staat, dat maatwerk mogelijk maakt, dat samenwerking tussen verschillende actoren faciliteert, en aanspreekpunt is voor zowel centrale overheid als voor plaatselijke zorgverstrekkers. Hiervoor kunnen we leren uit voorbeelden binnen en buiten Europa.

In deze Covid-19-crisis was en is samenwerking tussen verschillende niveaus in de gezondheidszorg essentieel, bijvoorbeeld tussen ziekenhuizen en woon-zorgcentra. Aan goede wil geen gebrek. Lokale initiatieven toonden aan dat de bereidheid van hulpverleners om over de lijnen heen te denken groot is. Huisartsen gingen testen in rusthuizen, arts-specialisten uit het ziekenhuis kwamen de triageposten versterken. 

Maar een gestructureerde coördinatie tussen de verschillende lijnen in de gezondheidszorg ontbreekt tot hier toe. Heeft het ziekenhuis tijdens een piek personeel over, de rusthuizen tekort? Dan moet er snel uitwisseling kunnen gebeuren. De realiteit heeft geleerd dat dit organiseren op de schaal van een regio zoals Vlaanderen moeizaam verloopt. Men moet dichter op de bal kunnen spelen. En dan is er nog de contactopsporing. Deze moet dicht bij de mensen staan. 

 Er is nood aan een lokale structuur om dit aan te sturen. Nu koos Vlaanderen voor centrale callcenters, maar dat systeem werkt niet goed. Het pleidooi in de media voor een ruimere (en door de overheid financieel ondersteunde) rol van de eerste lijn in de contactopsporing is helder. Vertrouwen, persoonlijk contact, continuïteit, kennis van het zorglandschap en de populatie zijn cruciaal voor de slaagkansen. Meer en meer steden en gemeenten nemen vandaag het heft in eigen handen. Terecht.

Bruggen slaan

Er is nood aan een structuur tussen het niveau van de individuele zorgpraktijk en het centrale niveau. Om een brug te slaan. In een heel aantal Europese landen bestaat zo’n tussenniveau. In Nederland is het hele grondgebied onderverdeeld in 25 Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s). GGD’s spelen een belangrijke rol in de strijd tegen Covid-19. Ze hebben onder meer een arts infectieziektebestrijding in dienst en stellen voor elk gezin met een coronabesmetting prompt een casemanager aan die meteen bovenop de situatie van de betrokken familie zit. 

Denemarken (een land met ongeveer evenveel inwoners als de regio Vlaanderen) heeft ook zo’n structuur: op het niveau van de 98 municipalities (gemeenten) die gemiddeld 60.000 inwoners tellen. Deense gemeenten hebben ruime verantwoordelijkheden in de publieke gezondheidszorg, en krijgen daarvoor zowel centrale als lokale financiering.

De recente uitbouw van zestig eerstelijnszones (ELZ’s) in het Vlaams Gewest gaat in die richting. Het gaat om een samenbundeling van de territoria van aangrenzende gemeenten. Per +/- 100.000 inwoners staan ELZ’s in voor de planning en coördinatie van zorg. Niet alléén in de gezondheidszorg maar ook in de welzijnszorg. Weg met die schotten! En met grote aandacht voor preventie en gezondheidspromotie. 

Aan het hoofd van een ELZ staat een inclusieve zorgraad, samengesteld uit vertegenwoordigers van zorgverstrekkers, welzijnsactoren, lokale besturen, patiënten... Dit is een belangrijke stap naar een betere organisatie van de zorg, dichter bij de mensen. Eerstelijnszones staan voor een nabijheid die Vlaanderen als grote regionale entiteit niet kan bieden. 

Vandaag staat het functioneren van de ELZ’s evenwel nog in zijn kinderschoenen. Een van de grote uitdagingen is een adequate financiering en personeelsbezetting: er is nood aan werkingsmiddelen, logistiek-administratief personeel, maar ook multidisciplinair professioneel gezondheidspersoneel, met expertise gaande van epidemiologie tot mentale zorg. 

Dit gaat centen kosten. Maar zoals professor Lieven Annemans (gezondheidseconoom UGent) aanhaalde in zijn boek De prijs van uw gezondheid, worden er in ons gezondheidssysteem behoorlijk wat middelen verspild. Aan de basis liggen het soms onoordeelkundig voorschrijven van geneesmiddelen en de overbodige onderzoeken en hospitalisaties in onze per prestatie gefinancierde en (mede daarom) overgemedicaliseerde gezondheidszorg. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) had het in haar World Health Report van 2010 zelfs over 20 tot 40 procent verspilling wereldwijd. Er is dus flink wat ruimte om de middelen uit onze sociale zekerheid verstandiger te besteden.

Leren van Afrika

Wij zijn pleitbezorgers voor de verdere uitwerking van zo’n tussenniveau hier in België. Laat ons even over de grenzen van ons continent kijken: de uitdagingen voor gezondheidssystemen zijn universeler dan op het eerste zicht zou blijken. Uiteraard zijn er grote verschillen, zeker wanneer het gaat over beschikbare middelen, en toch kunnen wij ook van ontwikkelingslanden leren. 

Wat blijkt? In de meeste Afrikaanse landen bestaat zo’n tussenniveau sinds decennia: de WHO omschrijft dit als het ‘gezondheidsdistrict’. Een district staat in voor de coördinatie van gezondheidszorg voor 100.000 à 200.000 mensen, over de lijnen en instellingen heen. Deze (overzichtelijke) schaal kan variëren, maar de finaliteit blijft dezelfde: een managementstructuur tussen het macro- en het microniveau. Geleid door een team dat het doorspelen van informatie en de discussie rond nieuwe beleidsmaatregelen faciliteert, maar ook lokale prioriteiten in kaart brengt, met lokale actoren bespreekt en aanpakt, en zo nodig aankaart bij het centrale niveau. 

Kortom, een intens verkeer zowel van ‘boven naar beneden’ als van ‘beneden naar boven’, met het districtsteam als actieve schakelaar.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234