Woensdag 27/05/2020
Beeld DM

Column

Onbekommerd stak je vroeger de straten over. Net als nu

Hilde Van Mieghem heeft het druk, maar neemt de tijd voor een gloedvolle blik achter de schermen van haar leven.

Onze grootste zorg toen, was erop te letten dat de mei­kever niet in je haar belandde. Als dat gebeurde, moest het afgeknipt worden. Hun pootjes waren bedekt met een of ander kleverig spul waardoor ze als ‘tuttefrut’ – zo noemden we kauwgum – in je haar bleven plakken. Althans zo ging de mare.

Het is een fabeltje. Nergens kan ik ­terugvinden dat een meikever echt een gevaar was voor jonge meisjes met lange haren. Toch was het onze ­grootste angst in die tijd. Een angst op kindermaat. Die konden we wel aan.

Giechelend en kirrend daagden we het noodlot uit, door heftig aan een struik of aan een niet te hoog boompje te schudden waardoor de kevers er, ­onderkoeld en slapend, uit tuimelden. We zetten ze in onze handpalm en ­bestudeerden ze uitvoerig. Door de warmte van onze handen werden ze wakker, spreidden hun schilden ­waaronder kanten vleugeltjes verstopt zaten, bewogen de oranje waaiertjes bovenaan op hun antennes en vlogen de lucht in. Wij stoven dan gillend alle kanten uit met onze armen molen­wiekend boven onze haren. Hijgend kwamen we weer bij elkaar, ploften neer op het grasveld en lachten triomfantelijk om onze overwinning.

Het waren de twee mooiste jaren uit mijn kindertijd.

Gek hoe zelden ik terugdenk aan de fijne momenten uit mijn jonge jaren, aan de warme, gelukkige ogenblikken. Altijd overheersen de ‘minder leuke’ ervaringen. Maar door deze lockdown, door de stilte die in de straten heerst, het weinige verkeer, de vogels die je nu veel meer kan horen fluiten, ­herinner ik me die periode weer.

Ik was negen jaar oud. Mijn vader had carrière gemaakt en klom een paar treden hoger op de maatschappelijke ladder want we verhuisden van een klein huis in Deurne naar een ­vrijstaande woning op de Antwerpse Linker­oever. Mijn moeder was ­zwanger van mijn broertje, nog zo’n lichtpunt in mijn leven toen. Het waren jaren waarin ik kon ademen en er niet elke dag opnieuw een ­dreiging in de lucht hing die om een pietluttigheid in alle hevigheid kon ­losbarsten.

We hadden eindelijk wat meer ruimte en elk kind, we waren al met drie, had voor het eerst een eigen slaapkamer. En door de zwangerschap van mijn moeder verspreidde zich een tedere zachtheid in ons nieuwe huis.

De aandacht van mijn ouders ging meer naar het op komst zijnde nieuwe leven en wij mochten urenlang buiten spelen, waar niets spannender was dan het meikever­gevaar. Jongens ­interesseerden ons nog niet.

Je hoefde niet telkens naar links of rechts te kijken op straat, de weinige auto’s die er reden, hoorde je al van ver aankomen. Onbekommerd stak je straten over. Net als nu.

Wat zou ik graag willen dat dat behouden blijft na deze corona­tijd. Ban die auto’s uit de stad. Geef mensen de ruimte om te slenteren, te mijmeren en te kletsen met elkaar. Laat kinderen weer urenlang buiten spelen, zodat ze – bij gebrek aan mei­kevers – de stipjes op het schildje van een lieve­heers­beestje kunnen tellen. Wie het hoogste aantal stipjes telt, heeft gewonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234