Vrijdag 18/10/2019
Beeld Karoly Effenberger

Column

Na het lezen van dit boek was ik verontwaardigd, zelfs boos

Dichteres Ellen Deckwitz (1982) doet elke week haar ding met poëzie en proza

Bij de fijnste verhalen weet je tot de slotpagina niet of de auteur je loopt te fucken. Neem het geweldige De meester en margarita, dat aanvankelijk een mix van satire en fantasy lijkt (er komt een kat in voor ter grootte van een nijlpaard, die bovendien een handlanger is van Satan), tot tegen het einde zich een drama ontvouwt waardoor je als lezer achterblijft met een groots en verdrietig gevoel, en vooral de enorme opluchting dat de Sovjet-tijd voorbij is. Rushdies Midnight's Children lijkt in het begin een vrolijk verhaal vol superhelden (een van de personages heeft bijvoorbeeld dodelijke knieën) maar blijkt uiteindelijk een deprimerende vertelling over dekolonisatie. Tot op het laatst weet je niet of het een tragedie of een komedie is en juist die onzekerheid zorgt dat de boel hard aankomt.

Weinig schrijvers doen dat zo vakkundig als Esther Gerritsen. In haar romans zitten steevast ongemakkelijke personages, ongemakkelijke dialogen en ongemakkelijke situaties. Daardoor rolt de lezer van de ene emotie in de andere: het ene moment lach je hardop, het andere ben je alweer in tranen.

In geen enkel werk zet ze die techniek zo sterk in als in het zopas verschenen De trooster, waarin de lezer kennismaakt met de devote Jacob, een teruggetrokken oudere man die zijn dagen slijt als hulpkoster in een klooster annex retraitecentrum. Zijn leven wordt op zijn kop gezet door de komst van gast Henry Loman, een gevallen staatssecretaris. Jacob verguist de gladde politicus maar voelt zich tegelijkertijd tot hem aangetrokken. Ook Henry is geïntrigeerd door de aanvankelijk botte Jacob, wat leidt tot een bromance vol aantrekken en afstoten.

Dat levert heerlijk gerritseniaanse dialogen op zoals in het fragment hieronder, maar halverwege de roman gebeurt er iets dat alles op zijn kop zet. Henry begaat een misdaad, maar het slachtoffer doet geen aangifte. Henry zit er vervolgens ook niet meer mee, bovendien: hij heeft toch sorry gezegd? Jacob is geschokt: 'Even kwam vergiffenis me voor als het grootste kwaad op aarde.' Bovendien krijgt hij hierdoor last van enorme gewetenswroeging: in hoeverre is hij verantwoordelijk, zelfs medeschuldig, nu hij van Henry's vergrijp weet?

De vorige romans van Gerritsen ontroerden door de mix van humor en de onmacht van de personages om met elkaar te spreken: Dorst en Roxy kwamen daardoor hard aan. Bij De trooster is er echter meer aan de hand: na het lezen van dit boek was ik verontwaardigd, zelfs boos, op hoe makkelijk Henry met zijn daad denkt weg te komen. En zo verandert De trooster van een roman die de lulligheden van de retraitesector uitlicht, in een werk dat het 21ste-eeuwse failliet van vergiffenis uiterst pijnlijk in beeld brengt. We hebben het de afgelopen jaren allemaal gezien: bankiers en politici begaan een misstap (met meestal een crisis als gevolg), maken wat excuses en gaan vervolgens vrolijk verder op dezelfde voet. Voor het eerst weet Gerritsen mij als lezer echt verontwaardigd achter te laten. Ze maakt je aan het lachen, om je vervolgens met het bankroet van de spijt in het gezicht te slaan.

***

'Henry,' zei ik, 'bij de poort.' Henry keek op, maar hij was niet verrast.

'Dat is je vrouw toch?'

'Ja,' zei hij, 'ik heb haar al gezien.'

'Moet je niet...?'

'Ze weet dat ik haar niet wil zien, daarom blijft ze daar.'

'Maar...'

'Waarom ze hier dan toch is?'

'Ja,'

Hij stak op zijn gemak een sigaret op en keek niet eens meer naar haar.

'We zijn wel vaker uit elkaar geweest, en het is steeds hetzelfde patroon. De eerste keer zat ik een tijdje in een hotel, Suzie was nog niet geboren. Toen heeft Alicia een kamer in hetzelfde hotel genomen. Zonder iets te zeggen. Zat ze aan het tafeltje naast me te ontbijten. Ik was eigenlijk wel geïntrigeerd. Toen. Op een dag ben ik maar gewoon bij haar gaan zitten en...uiteindelijk gingen we weer samen naar huis en dat was het.'

Zijn vrouw was bij de ingang druk met haar telefoon. Hoelang stond ze daar al?

'De tweede keer dat ik wegging, logeerde ik bij een vriend, een straat verderop, toen kwam ze me elke dag de krant brengen, samen met Suzie.'

'De tweede keer?'

'Die vriend werd me al snel zat, ook omdat Alicia telkens weer langskwam. Kwam ze weer wat brengen, wat ik misschien nodig had, mijn scheerapparaat, een pak. Ook als ik er niet was kwam ze, ging ze met die vriend praten, over mij.'

'En toen ging je maar weer terug?'

'Ik had op een dag zin om in bad te gaan, die vriend had geen bad, ik denk: Dan ga ik toch thuis in bad. Dat vindt Alicia toch wel best. Voor ik er erg in had woonde ik er weer.'

Uit: Esther Gerritsen, De trooster, De Geus, 2018

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234