Vrijdag 18/10/2019
Marnix Peeters. Beeld Bob Van Mol

Column

Na een lange cafénacht liet ik op de achterbank een bierwind die zo kruidig was dat Rudy luid foeterend op de pechstrook moest stoppen

Op zijn berg in de Oostkantons schrijft Marnix Peeters (°1965) over vrijheid, vogels, zijn vader en zijn vrouw. Zijn nieuwe roman Ik heb aids van Johnny Diamond verscheen bij Pottwal Publishers.

Mijn schoonbroer Rudy is gestorven. Hij was grappig en gevoelig en ook ingewikkeld, mogelijk té gevoelig en té ingewikkeld voor deze wereld. Hij werd maar 58.

Ik was een jaar of 16 toen in Leuven, waar zij beiden studeerden, hij en mijn oudste zus verkering kregen. Ik ging in het weekend geregeld met de bus naar hen toe. Zij huurden een beneden­verdieping aan de Geldenaaksevest, vlak naast de gevangenis. Er lagen oude tapijten en er stond zo’n rieten Emmanuellestoel, en ’s ochtends werd er koffie gezet die op motorolie leek, zo sterk. Er werd gerookt en gedronken en op café gegaan, het waren tijden die uit onbezorgdheid en ongebreideldheid bestonden, uit slaap en hartstocht en fantasie, het leven leek eindeloos en kon alles bevatten wat maar enigszins bedenkbaar was.

Wij hadden allebei een zwak voor mannenhumor. Wij lachten vaak en hard om het onnozelste eerst. Toen wij op een middag na een lange cafénacht met ons drieën in de auto onderweg waren naar ergens, liet ik op de achterbank een bierwind die zo kruidig was dat Rudy luid foeterend op de pechstrook moest stoppen en alle raampjes moesten worden opengedraaid. Daar moesten wij vijfentwintig jaar later nog altijd tomeloos om lachen – hij is altijd in hoge mate een jongen gebleven, ofschoon hij een hoge functie in het bedrijfsleven bekleedde. Mogelijk zat ook dat hem dwars – hij was oudheidkundige van opleiding en van passie. En jongen van nature.

De afscheidsplechtigheid was in café Libertad in Leuven, waar Rudy bij leven Duvels dronk en waar ik zijn ­oudste zoon nu op het hart drukte om straks enkel hoge functies te bekleden als zijn hart en zijn ziel hem daar tegelijk en luidop toe aanspoorden. Ik raadde hem ook aan om zijn verdriet de komende tijd onbeteugeld te laten – om het geen strikt verloop op te leggen en om niet per se te streven naar een ­einddatum. Verdriet gedijt (en slijt) het best als het vrij wordt gelaten, wat allicht geldt voor ongeveer alles in het leven. Soms vervloek je het, als het de kop blijft opsteken, maar het heeft altijd zin en het verdient altijd zijn plaats, indien nodig op de eerste rij.

De dood mag nu stilaan weer van het toneel af, zei ik tegen mijn vrouw op de terugweg naar de Oostkantons. Ik ben erop uitgekeken. Ze heeft te veel macht – ze beheerst je gedachten en je ge­sprekken, ze bezoedelt je dromen en je kunt er toch niet aan uit, het heeft geen zin om er al die tijd aan te schenken. Ze heeft dit jaar genoeg show verkocht. Ze lijkt verlekkerd te geraken op de aandacht en het applaus – hoe cynisch en verwijtend ook het handgeklap. Ik wil een lachfilm. Een deurenkomedie. Een billenkletser. Ik ben de bitterheid beu.

Mocht ik je kúnnen helpen, zal ik je helpen, zei mijn vrouw, zich niets aantrekkend van de onmogelijkheid van die stelling. Zij is onverwoestbaar de beste.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234