Woensdag 21/04/2021
Jana Antonissen. Beeld DM/Bart Hebben
Jana Antonissen.Beeld DM/Bart Hebben

OpinieJana Antonissen

Mijn meest recente briefwisseling: de gevangenispost

Jana Antonissen is journalist. Haar column verschijnt wekelijks.

Al sinds ik kan schrijven, houd ik er pennenvrienden op na. Destijds scoutte ik die via de zoekertjespagina van de Jommekeskrant. Omdat mijn vader geen zin had oneindig veel geld aan postzegels te spenderen, moest ik een selectie maken. Dus vroeg ik alle briefschrijvers om een foto. Wie mij het meeste aanstond, kreeg een antwoord. Tinder avant la lettre.

Later voerde ik voornamelijk epistolaire vriendschappen met liefdesobjecten; hoe verder weg, hoe beter. De schrijvers van die onmogelijke liefdesbrieven waren namelijk niet vies van een vleugje melodrama à la “in een parallel universum houd ik je hand vast”. Uiteraard komen dergelijke verzuchtingen het best tot hun recht wanneer ze met vulpen aan lichtjes geparfumeerd briefpapier toevertrouwd worden.

Maar ik wilde het eigenlijk over mijn recentste briefwisseling hebben: de gevangenispost.

Eén van mijn laatste correspondenten is een gedetineerde die ik afgelopen herfst ontmoette voor een journalistiek project. Aangezien een nieuw bezoek dankzij deze derde – of is het ondertussen al vierde – virusgolf niet meteen mogelijk was, peilde ik per post naar zijn huidige gemoedstoestand.

Ook voor de pandemie leefde deze man al in absolute afzondering; een bewuste keuze. Wie de rest van zijn dagen achter de tralies slijt, wil zich niet verbranden aan andermans hoop en anticipatie.

Meer dan twintig jaar staan ondertussen op zijn teller. Hij zag nog nooit een euromuntstuk van dichtbij, smartphones en sociale media zijn hebbedingen die hij enkel kent uit de telefoongesprekken met zijn kinderen. Hij denkt dat het beter is dat hij nooit meer vrijkomt. In het etiket ‘antisociaal’, dat justitie bij gebrek aan een psychisch ziektebeeld op hem kleefde, kan hij zich wel herkennen.

Hoewel de pandemie voor hem persoonlijk weinig veranderde, volgt hij alle ontwikkelingen in “de buitenwereld”, zoals hij die noemt, wel op de voet. Zo schrijft hij niet te geloven dat onze samenleving veel zal meenemen uit deze crisis, behalve dan een economische kater van jewelste.

“Wie weet komt er wel helemaal geen postcoronatijd”, besluit hij in zijn schoolmeisjesachtige handschrift vol bolle g’s en d’s.

Vorige week arriveerde ook een brief uit de Leuvense hulpgevangenis. Daar brengt de mij tot voor kort onbekende schrijver momenteel zijn voorhechtenis door. De voorlopige aanklacht tegen hem luidt moord. Voorlopig, want de briefschrijver en zijn advocaat proberen daar verandering in te brengen.

Voor hij in de gevangenis belandde, was hij politieman. Een tijdlang werkte hij zelfs voor de speciale eenheden, als lijfwacht van de koninklijke familie.

Gedesillusioneerd door de “deontologische normvervaging en zwijgcultuur” zei mijn nieuwste correspondent het politieapparaat vaarwel en startte een restaurant.

Kort na het faillissement daarvan ontmoette hij in de cafetaria van de psychiatrische kliniek de liefde van zijn leven. Nog meer door het leven getekend dan hijzelf, stapte zij twee jaar geleden uit het leven. De dood van haar stiefvader, die haar misbruikt zou hebben, is de reden dat de briefschrijver nu vastzit.

Ziedaar de erg beknopte samenvatting van de met houtskool geïllustreerde autobiografie die de voormalige bodyguard bij zijn brief voegde. “Het is mijn eigen Crime and Punishment,” aldus de man, “maar bovenal blijft het een tragisch liefdesverhaal.” Tussendoor citeert hij ook Goethe en Baudelaire over de duisternis, en hoe daarmee te leven.

Het mag duidelijk zijn: hij wil zijn demonen van zich afschrijven. Een behoefte die wel vaker voorkomt bij gevangenen.

Ik herinner me hoe mijn vader destijds voor Humo correspondeerde met Andras Pandy, de moordenaar die lichamen liet verdwijnen in zwavelzuur. De dominee vatte zijn lange brieven steevast aan met “beste vriend” en strooide gul met evangelische citaten. Hij beloofde onthullende memoires, maar klapte uiteindelijk nooit uit de biecht.

Gevangenisliteratuur is geen ongevaarlijk genre. Het onheilspellendste voorbeeld is waarschijnlijk wel In the Belly of the Beast, het in 1981 verschenen debuut van Jack Henry Abbott. Abbott, die vastzat voor moord op een medegedetineerde, had de journalist en schrijver Norman Mailer per briefwisseling overtuigd van zijn schrijftalent. Aldus pleitte Mailer op zijn proces voor zijn vrijlating. Als een exotisch huisdier werd Abbott feestelijk in Manhattans literaire scene onthaald. The New York Times publiceerde een lovende recensie; pijnlijk genoeg de dag nadat Abbott opnieuw een mes in iemands borstkas had geplant.

Nee, dan waren die Jommekeskrant-correspondenten toch veiliger.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234