Maandag 01/06/2020
Paula SémerBeeld RV

Place du Samedi

Meisjes van negentig? Ja, ze bestaan

Marc Didden is schrijver en columnist bij De Morgen.

Meisjes van negentig? Ja, ze bestaan. Niet dat ik er ooit aan getwijfeld heb, maar ik was toch blij dat ik er onlangs nog eens een levend bewijs van mocht zien op mijn lokale omroep.

Daar zag ik Paula Sémer in een stemmig ensemble genieten van de bloemen die zij mocht ontvangen ter gelegenheid van haar recente verjaardag en van de welwillende aandacht van een lezerspubliek dat zich in Boekhandel Passa Porta had verenigd om de publicatie van haar nieuwe booklet P.S. te vieren.

Het als een hebbeding vermomde boekje van mevrouw Sémer bevat goed zestig bladzijden lang haar erg precieze oorlogsherinneringen, zoals ze die verteld heeft aan Diane Broeckhoven. Mensen van mijn leeftijd kennen Paula Sémer al meer dan een halve eeuw als Vlaanderens eerste omroepwonder. Het hoeft dan ook geen wonder te heten dat je tijdens het hele uur dat het lezen van dit werkje vergt, voortdurend de mooie, vieve stem van Paula hoort, alsook het natuurlijke ritme waarmee ze zo mooi over al die vreselijke dingen schrijft.

Ja, ik schrijf 'Paula', al heb ik mevrouw Sémer nog maar één keer ontmoet, en dan nog helemaal per toeval, op straat, ergens bij de Beurs. Ik schrijf 'Paula' omdat mijn moeder haar zo noemde telkens wanneer ze over Penelope sprak, haar favoriete tv-programma. Ik schrijf 'Paula' omdat alle iconen uit onze tv-prehistorie ook automatisch huisvrienden werden.

Paula stond bij ons thuis, en zeker ook in vele andere gezinnen van de Expo-jaren, op een gouden piëdestal. Tegelijk had en heeft ze een kwaliteit die andere - vaak mindere -mediavedetten wel eens missen: de gave van de bereikbaarheid. Wij, haar levenslange fans, hebben nooit de indruk gehad dat ons idool in een andere wereld leefde dan de onze. Integendeel, ze stond er met haar altijd fijn geschoeide voeten middenin.

Ze gebruikte het boeiende, jonge medium televisie in de woelige jaren vijftig, zestig, zeventig én tachtig als verstandig instrument waarmee ze hele generaties meisjes en vrouwen, maar ook jongens en mannen, met de steeds veranderende wereld leerde omgaan.

Dat ze daarbij geen taboe uit de weg ging, lijkt nu een cliché, een vanzelfsprekendheid zelfs, maar alleen wie er toen al bij was, kan zich nog herinneren hoe lang de duistere middeleeuwen in Vlaanderen hebben geduurd.

Hoe Paula Sémer in elkaar zit, hoe ze haar visie op de wereld heeft ontwikkeld, hoe ze haar afkeer van onrechtvaardigheid heeft opgedaan, hoe ze als meisje de oorlogshorror ervaren heeft zonder haar geloof in de mens te verliezen, staat allemaal mooi opgeschreven in dat boekje, P.S.

Hoe ze haar warme vriendschappen beschrijft met meisjes die later 'fout in de oorlog' bleken, is nooit minder dan touchant. Hoe ze zich, ooit meegetroond door een van die meisjes, precies de première van de nazistische en racistische propagandafilm Jud Süss herinnert, en hoe ze onlangs op het internet fragmenten van die film is gaan opzoeken en weer dezelfde rillingen ervaart als destijds, zeggen veel over haar sensibiliteit en over haar feilloos geheugen.

Wat ons wel dwingt om na te denken over die jaren en, in mijn geval, ook zo dankbaar doet zijn dat ik in mijn leven (nog) nooit een oorlog heb moeten meemaken.

Als ik aan Paula Sémer denk, is er maar één ding waar ik spijt van heb, en dat is dat ik haar niet vaker heb zien acteren op toneel, op tv, in films. Want al is het onmiskenbaar zo dat we door al die jaren heen aan mevrouw Sémer een grote mediadame overgehouden hebben, dan denk ik toch dat we ergens onderweg een uitstekende actrice verloren hebben. Nu, in iemand als Paula zit per definitie meer dan één leven. Bewijs is dat ze trouwens al zo goed als halfweg op weg naar de eeuwigheid is.

Jongens van zeventig, die bestaan ook. Ik moest er de hele afgelopen week over denken, terwijl ik op repeat naar Boudewijn de Groots nieuwe cd Achter glas aan het luisteren was. Als geen andere gaat De Groot met de Nederlandse taal om. De woorden die hij zingt gaan, ook nu ze niet meer geschreven worden door zijn overleden makker Lennaert Nijgh, nog altijd als een zachte zalf over alle wonden heen die het leven ons zo nu en dan toebrengt.

Achter glas is Boudewijns beste plaat in jaren, en dat wil wat zeggen als je het over een artiest hebt die eigenlijk nog nooit échte rommel op de wereld heeft losgelaten. Dat heeft te maken met het soortelijk gewicht van elk van de vijftien nieuwe songs op dit album, maar ook met de voortreffelijke productie die Jean Blaute aan deze collectie meegaf. Dat ligt ook aan hoe mensen als Patrick Riguelle, Bert Embrechts, Bert Joris, en vele anderen mondjesmaat hun talent ter beschikking stelden van dat van De Groot.

Ik moet altijd lachen met de voormannen van middelmatige rockgroepjes uit onze lage landen, die in interviews steevast beweren dat slecht Engels de officiële voertaal is van rock-'n-roll en alle aanverwanten, en dat Nederlands dan weer per definitie niet zou bekken. En Boudewijn de Groot dan?, denk ik, als ik zoiets hoor. Dat denk ik nu ook weer, terwijl 'Heemsteedse dreef' door het huis knalt, een swingend heimatlied dat meedanst op de gitaren van Eric Melaerts en Golden Earrings George Kooymans.

Dat denk ik alweer terwijl ik het heerlijk jazzerige 'Lola is gevallen' beluister, een droef lied over de dood van een hond. Het brengt mij moeiteloos terug naar de tijd toen Boudewijn zo lijzig mooi 'Draai weer bij' zong en zo een nieuw leven gaf aan de wat vergeten Donovan-song 'Sunny Goodge Street'. Andere hoogtepunten : 'Het regent in Antwerpen' (ik had het kameraad Wannes graag horen zingen), 'Witte muur', 'Ik ben een zoon', 'Portret'. U kiest maar. Ze bestaan nu.

Nog muzieknieuws: ik liep laatst langs de dagversie van een nachtwinkel. Ik hoorde een wat melancholische Egyp-tenaar 'J'entends siffler le train' zingen, een overbekende Fran-se versie van de Amerikaanse folksong '500 Miles'. Ik ging zoeken in de canyons van mijn geest en ik dacht: God! Richard Anthony! Zou die nog leven? En toen zei de speaker van zo'n schreeuwzender dat Anthony net komen te gaan was. Ik dacht spontaan aan de bots- auto's van het Jourdanplein te Etterbeek waar mijn broers en ik dat lied voor het eerst hoorden, in 1962. Wij zongen het op de terugweg van de kermis altijd na. Maar we wijzigden wel eerst de tekst. Dat werd "J'entends pisser mon chien".

Ja, vroeger kon je lachen.

Marc DiddenBeeld Karoly Effenberger
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234