Vrijdag 19/07/2019

Column

Mei '68: verboden te verbieden, 50 jaar later

Beeld Bob Van Mol

Mark Elchardus is emeritus professor sociologie aan de VUB en opiniemaker bij De Morgen

Het is nog maar amper mei en alles lijkt al gezegd en geschreven over 50 jaar mei ’68. Men had die voorbarigheid moeten verbieden. Verboden te verbieden. De kwintessens van ’68, maar werd er ooit meer verboden dan over de laatste vijftig jaar?

Dikwijls om bestwil, zoals het verbod op roken in cafés. Volkomen ondenkbaar in ’68. Lezen, schrijven, betogen, een auto besturen en zelfs vrijen…, het kon toen beter met een sigaret tussen de vingers of de lippen. Vandaag willen sommigen zelfs het roken in de auto verbieden als kinderen meereizen. 

De auto… toen nog een symbool van snelle vrijheid. Inmiddels de plek bij uitstek waar het veiligheids- en gezondheidspaternalisme ons omklemt. In de voorbije tien jaar steeg het aantal verkeersboetes pijlsnel. Niet omdat mensen meer overtredingen begaan, maar omdat de repressie intenser werd. Het aantal verkeersslachtoffers daalt weliswaar, terwijl het aantal gereden kilometers blijft stijgen. We ruilen blijkbaar vrijheid voor levens. Daarom klaagt haast niemand als om bestwil wordt verboden, als vrijheidsstreven wordt ingetoomd door verantwoordelijkheidsgevoel.

Inquisiteurs

De hedendaagse passie voor het verbieden reikt echter veel verder dan ons streven naar gezondheid en veiligheid. In 1981 werd racisme verboden. Voor de samenleving was dat even wennen – hoe kan men nu een manier van denken verbieden? – maar na een tijdje werd kwistig een beroep gedaan op de wet. 

In 2015 waren er bij Unia haast 1.600 racismeklachten in behandeling. Tussen 2000 en 2015 werden 381 mensen voor racisme veroordeeld. In een doctoraatsverhandeling uit 2010 onderzoekt Jogchum Vrielink die juridische drukte. Volgens hem wordt de racismewet dikwijls ongrondwettelijk gebruikt. In acht op de tien gevallen gaat het om het beteugelen van een opinie, niet om het bestraffen van discriminatie. 

Bij de repressie van opinies en uitspraken wordt volgens Vrielink zelfs niet altijd onderzocht of er kwade bedoeling in het spel is. In feite wordt de vrije meningsuiting onderdrukt, in een niet-onaardig aantal gevallen onbezonnen taalgebruik bestraft. 

Inmiddels lopen er losgeslagen inquisiteurs rond (zo bijvoorbeeld Liesbet Stevens in De Standaard van 26 april jl.) die vinden dat zelfs het weigeren van een handdruk bestraft dient te worden. Vrouwen die mij geen hand willen geven, zouden zich schuldig maken aan discriminatie? Pedalen kwijt?

Taboes

In 1995 werd negationisme, het ontkennen van de Holocaust, verboden. Ook op basis van die wet werden mensen veroordeeld. Naar aanleiding van zo’n veroordeling verklaarde Jozef De Witte, toen directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (de voorloper van Unia): “Het ontkennen of schromelijk minimaliseren van de nazigenocide is bij wet verboden en terecht. Zo’n gedrag kan niet in een democratische samenleving, omdat het de kiemen zaait voor nieuw racisme en antisemitisme, en de poort zou openzetten voor een herhaling van dergelijke misdaden tegen de mensheid.” 

Of het ontkennen van de Holocaust het risico op misdaden tegen de mensheid verhoogt, kan een rechter onmogelijk beoordelen, laat staan vaststellen. Hij kan het enkel veronderstellen. Dat biedt onvoldoende verantwoording voor die wet. Het ontkennen of minimaliseren van de Holocaust is wel een overduidelijke indicator van antisemitisme. Vraag is echter of antisemitische en racistische uitspraken strafbaar gesteld en vervolgd moeten worden, eerder dan via onderwijs en debat bestreden of op gejoel onthaald.

Racistische uitspraken worden volgens de wet veroordeeld ter wille van hun mogelijke gevolgen, zoals discriminatie en geweld. Het is echter duidelijk dat daarover in vele gevallen onverantwoord lichtzinnig wordt geoordeeld, alsof brutale, ongepaste, kwetsende woorden automatisch discriminerende en gewelddadige gevolgen hebben.

Tijdens en na ’68 werden een paar taboes gesloopt. Er kwamen er meer voor in de plaats. Mei ’68 markeert het einde van een tijd waarin het handelen, denken, spreken en lachen vrijer, maar ook brutaler was dan vandaag. Over de laatste halve eeuw ruilden we één stel normen voor een ander. 

Men kan zich bevrijden van bepaalde normen, maar niet, zoals in ’68 soms werd gedacht, van alle normen. Taboes verbonden met religieuze voorschriften sneuvelden (vandaar dat de komst van de islam voor zoveel deining zorgt). In de plaats daarvan kwamen taboes op uitspraken die groepen kunnen kwetsen, vooral als die groepen kunnen worden beschouwd of zich opstellen als een minderheid.

Betutteling

Die normatieve verandering zou tot meer wederzijds respect en begrip kunnen leiden, maar elk stel normen houdt het gevaar in van betutteling en onderdrukking en dus van wederzijdse vervreemding. 

Als we mei ’68 dan toch per se willen herdenken, laten we dan een sobere, verantwoorde en minimalistische versie van het verboden-te-verbieden proberen: verboden mensen te verbieden hun mening te zeggen, ook al vinden sommigen die ongepast. Minderheden hebben gewoon niet het recht niet beledigd te worden, evenmin als overheden het recht hebben politieke tegenstanders de mond te snoeren. 

En als het de nieuwe inquisiteurs gerust kan stellen: 'boem' roepen veroorzaakt doorgaans geen ontploffing, ook al is het storend.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden