Michael Van Peel
Kunst kan de wereld niet meer redden, nonsens misschien wel
Michael Van Peel is comedian en columnist.
Op het moment van schrijven staat de teller op de Facebookpagina voor de Dimitri Bontinck-fandag van 28 juni op een goede 14.000 bevestigde Dimitrievers en, nog hilarischer, 178 twijfelaars. Een Sportpaleis vol. Er gonzen geruchten dat Werchter het festival die dag zal stilleggen voor een livestream van het event in Antwerpen.
God, wat hou ik van het internet. Mensen die voluit gaan voor onzin. En voor Dimitri, ex-Syrië-consultant, ex-personal assistant, fulltime vrijgezel en dito mediafiguur. De temporele keizer der underdogs, wiens grootste talent het zichzelf in de spotlights werken is. Door gedecideerd in beeld te schuifelen zoals professionele omstaanders achter geïnterviewde coureurs. Ik moet toegeven, hij hééft het, dat fascinerende Eddy Wally-aura van 'meent hij het, of speelt hij het?' 'Weet hij het zelf nog wel dat hij het speelt?'
"Moet ge die mens nu nog meer aandacht geven?!" De geplande fandag heeft ook tegenstanders. Gelukkig maar! Geen enkele goede grap zou door iedereen begrepen mogen worden. Natuurlijk gaat de Dimitri-fandag helemaal niet over Dimitri. Het is een smeuïge ode aan de nonsens. (Of Dimitri dit zelf in de smiezen heeft, is een goed bewaard geheim. Zo geheim, dat hij het zelf ook niet zo goed weet...)
Nonsens, de nihilistischste (sic) aller humor, is tevens de meest onweerstaanbare. Alles in het belachelijke trekken is de ultieme kritiek op de wereld. Het dadaïstische urinoir van Duchamps. "Bedrink je aan de onzin", zou Baudelaire zeggen. De zin van de onzin zit erin om zin te zien in een onbezonnen uitzinnigheid. Of zo.
Onzin is een machtig wapen, een krachtig tegengif. Het valt specifiek de gevestigde waarde(n) aan, net door alles in vraag te stellen. Voor sommigen is dat te veel, alles. Daar dreigt potentiële verlichting. De keizer zonder kleren zien. Of misschien zelfs zien dat deze Dimitri niet zo veel verschilt van de andere Dimitri's die we klakkeloos achterna lopen.
Veel meer nog dan over vrijheid van meningsuiting, gingen de cartoons van Charlie Hebdo over vrijheid van invraagstelling. De film Life of Brian van het narrencollectief Monty Python steekt de draak met de volgzaamheid van de mens en diens bereidheid om profeten achterna te lopen, veeleer dan met religie. Pythons antwoord op de wereldwijde woede van religieuze leiders: "We were just being a bit silly, really."
In 2001 kaapten honderdduizenden Engelsen hun eigen volkstelling door 'jedi' op te geven als religie en Yoda uit Star Wars als hun profeet. Het jediïsme werd in een klap de vierde grootste religie van het land, groter dan het jodendom. Parodiereligies zoals de kerk van het Vliegende Spaghettimonster of het discordianisme strijden niet tegen religie op een atheïstische manier, maar veel subtieler, door net dezelfde rechten te eisen voor hun (eigen) onzin. Zoals de Tsjech die het recht verkreeg om op zijn pasfoto te staan met een pastavergiet op zijn hoofd "omdat dat moet van zijn religie". Een nakende discussie over een pastavergietverbod voor Antwerpse loketbedienden kon nog net in de kiem gesmoord worden.
Kunst kan de wereld niet meer redden. Nonsens misschien wel. Onzin is de laatste hoop van de mensheid, tegen het sérieux van extremisten als IS of totalitairen als Poetin. En als het de wereld niet redt, hebben we op zijn minst allemaal eens goed gelachen. Dat doet een mensheid deugd. En Dimitri? Die zal het worst wezen. "YOLO, sweetie!"