Zaterdag 14/12/2019
Beeld rv

Column

In de Belgische profsport is geen sprake van marktfalen. Subsidies zijn dus niet nodig

Hans Vandeweghe is sportjournalist bij De Morgen.

Deze week was het de beurt aan de wieler- en basketbalinstanties om hun nood te klagen over het onheil dat hun kant uitkomt als de politiek zou besluiten sportende grootverdieners te belasten en sociale lasten te doen betalen zoals u en ik.

De baas van de wielerbond zei aan het eind van zijn betoog wel: “Uiteraard moeten de hoogste lonen het meeste bijdragen.” Mooi zo, dan zijn we het daar al over eens. Dat is net de crux: omdat de hoogste salarissen níét het meeste bijdragen, ijveren de voetbalclubs voor het behoud van dat lucratieve systeem, waarbij de zwaarste lasten voor de zwakste schouders zijn en de lichtste lasten voor de sterkste.

Stel dat de hoogste lonen het meeste moeten bijdragen, wat is dan de definitie van ‘hoog’? 50.000 euro per jaar? 100.000 per jaar? Die sommen hanteert men in de ploegsporten waarbij niet op een bal wordt getrapt. Het voetbal wil hoog zo hoog mogelijk, bij 300.000 euro of zelfs 500.000 euro, las ik ergens.

Kamelenmarkt

Voetbal krijgt minimaal 150 miljoen euro voordelen per jaar, waarvan drie vijfde voor de top zes. Die zes ploegen recupereren hun belastingen of moeten geen sociale lasten betalen ten belope van gemiddeld 15 miljoen euro per jaar per club. De voordelen voor de andere zevenhonderd ploegen die een halve, één of enkele profs tewerkstellen, bedragen tussen 30.000 en 50.000 euro per jaar per club.

Het voetbal ijvert voor een overgangsmaatregel. Terecht. Je kunt niet decennialang een steeds grotere wortel toestoppen en die ineens wegnemen met de melding ‘zoek het nu maar uit’. Het voetbal weet ook dat er andere barema’s moeten komen voor hun RSZ, omdat dit systeem maatschappelijk onverantwoord is. De discussie – én de lobbying, want alle registers worden opengetrokken – zal gaan over welke barema’s, welke geplafonneerde bedragen en dergelijke meer.

Blijft voorlopig buiten schot: de recuperatie van de belastingen, die voor het Belgische profvoetbal 80 miljoen euro bedraagt. In theorie moet die worden aangewend voor de opleiding van jeugd, maar in de praktijk is daar geen controle op en dienen die sommen geld (tot 10 miljoen per grote club) vooral om jonge buitenlandse spelers onder 23 jaar klaar te stomen en door te verkopen. 

De cijfers bewijzen dat. Zes op de tien profvoetballers in eerste klasse komen uit het buitenland. Ons voetbal is een kamelenmarkt, en de kamelenverkopers wordt niks in de weg gelegd. Wel integendeel, de overheid financiert mee een systeem waarbij tussenpersonen in 2018 37 miljoen euro aan commissie opstreken. 

Hoe bezopen kan het zijn? De Belgische overheid subsidieert salarissen tot wel 2 miljoen euro, faciliteert een illegaal systeem van mensenhandel, en dat alles om de concurrentiepositie tegenover het buitenland te verbeteren van een business waarin het gemiddelde loon 211.000 euro per jaar (1A) bedraagt. Zó bezopen is het.

Andere kant opkijken

De domste reactie kwam uit het basketbal. Een woordvoerder wees op de korte carrières. Dat is het argument van vijftig jaar geleden: ze moeten binnen zijn als ze stoppen. Neen dus, iedereen kan/moet na zijn 35ste nog dertig jaar werken, zelfs wie een tijdlang goed oranje ballen door een net kon gooien.

Het wielrennen vreest dan weer dat het emplooi zou kunnen verdwijnen als sociale lasten en belastingen moeten worden betaald zoals in andere landen. Al van in de jaren zestig, toen de sociale lasten voor wielrenners op het minimum werden gezet, heeft België te veel wielerprofs. België – lees Vlaanderen – had dit jaar meer WorldTour-renners dan welk ander land ook in de wereld. Een sanering zou welkom zijn.

Een oud maar degelijk principe zegt dat de overheid moet ingrijpen waar de markt faalt. In de Belgische profsport is geen sprake van marktfalen. Subsidies zijn dus niet nodig. De luxe zal wat minder zijn, maar er zal heus nog wel worden gekoerst in België, en ook gevoetbald, gebasketbald of gevolleybald zonder die voordelen.

Het voetbal verwijt mij dat ik schijt waar ik eet. Jammer dan, maar ik ben in de eerste plaats burger, in de tweede plaats journalist en dan pas sportjournalist. 

Op 22 maart 1997 heb ik mijn eerste verhaal over die problematiek geschreven (toen nog alleen over de sociale lasten en de groepsverzekering). Jongere collega’s hebben dit probleem opnieuw op de agenda gekregen, waarvoor hulde, maar evengoed merk ik dat de klassieke voetbaljournalist de andere kant opkijkt. In het verder uitstekende Extra Time heb ik daarover nog nooit een brede discussie gehoord. 

Dit hoogst onrechtvaardige systeem moet op de schop, het is nu of nooit. Als het op de schop gaat, zal ik diezelfde avond een goeie fles opentrekken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234