Zaterdag 15/08/2020
Delphine Lecompte.Beeld DM/Bart Hebben

ColumnDelphine Lecompte

Ik liet mezelf opnemen om van de alcohol en de Xanax af te geraken

Delphine Lecompte (1978) is dichter, punker, kluizenaar en misfit. Haar jongste bundel heet Vrolijke verwoesting.

Mijn psychiatrische opname zit erop. Ik liet mezelf opnemen om van de alcohol en de Xanax af te geraken. Dat eerste is gelukt (mijn verdienste, niet die van de dokters). Mijn Xanax daarentegen werd vervangen door trazodon (merknamen: Beneficat, Sideril, Trazolan…) en clonazepam (merknamen: Rivotril, Klonopin). 

Trazodon is een antidepressivum met een gunstig effect op de slaap. Het hielp voor geen meter, maar het zou niet verslavend zijn. Waarom mag ik er dan niet bruusk mee stoppen en moet ik het van de dokter geleidelijk afbouwen?? Hij noemde het “onschadelijker dan een Frutella”.

Clonazepam is een ander paar mouwen, het is een benzodiazepine net zoals Xanax (benzodiazepines zijn uiterst verslavend, maar krijgen altijd luchtige muzikale namen die eindigen op lam of pam pam pam). De clonazepam deed wat hij beloofde: ik sliep als een gesedeerde okapi wiens testikels eraan moeten geloven. De volgende dag werd ik suf wakker, ik zag de wereld door een vieze goudvisbokaal, en ik had last van geheugenstoornissen.

Dat laatste vond ik het ergst. Toen ik op de sokkel van het standbeeld van Hans Memling zat met de voormalige vrachtwagenchauffeur die vrolijk en alert van een blikje Cara nipte zei hij zonder merkbare aanleiding: “I love the smell of napalm in the morning.” We wisten uiteraard dat de beroemde zin uit Apocalypse Now kwam, maar we konden niet op de acteur komen die de bewuste zin in die geniale film uitspreekt. De voormalige vrachtwagenchauffeur is twintig jaar ouder en drinkt al meer dan veertig jaar, dus voor hem zijn die gaten in zijn geheugen normaal. Ik daarentegen kon me niet neerleggen bij de amnesie. Gelukkig schoot na een tijdje de sinistere ondergewaardeerde film The Apostle in mijn hoofd, en toen wist ik het weer: Robert Duvall.

Later die dag schreef ik een gedicht en het was vreselijk; adjectieven ontglipten mij, de schroefhoorngeit en de hottentotvechtkwartel lieten zich niet vangen, en zowel de mystieke chrysantenkweker als de bedeesde zeepzieder waren door het drijfzand van mijn hersenen verzwolgen. Ik herinner me wel zeer goed het moment dat de psychiater en zijn assistent met een grote pilaar waarop een computer stond mijn kamer betraden. Ze zeiden: “We hebben van de verpleging gehoord dat je onrustig bent en slaapproblemen hebt.” Daarna vuurden ze allerlei namen van farmacologisch snoepgoed op me af. Lange, lieflijke, bezwerende namen. Uitleg over de medicatie kreeg ik niet, maar ze zeiden wel telkens: “Je hebt inspraak, we geven je niets zonder jouw toestemming.” Ze zeiden het kil en bot, autoritair en passief-agressief.

Ik heb het geluk dat ik redelijk mondig en weerbaar ben, maar ik kan me voorstellen dat een depressieve zeventigjarige vrouw die haar hele leven het huishouden bestierde van haar gezin in Beauvoorde, en die geleerd heeft om dokters te eerbiedigen en op een piëdestal te plaatsen, zich laat overweldigen door die twee ijdele machtswellustelingen en braaf en verlegen zegt: “Ja, dokter, ik zal alle pillen nemen waarvan u denkt dat ik ze nodig heb.”

Ik raakte bevriend met heel wat patiënten op de afdeling, en ik hoorde telkens dezelfde verhalen: “Ze proppen me vol met Temesta’s. Ik loop rond als een zombie. Dat wil ik niet, ik wil met iemand spreken over mijn angststoornis en mijn problematische thuissituatie.”

Ik heb me in de psychiatrie ontpopt tot Jack Nicholson in One Flew Over the Cuckoo’s Nest; ik heb geprobeerd om zo veel mogelijk patiënten op te ruien, en met een groot aantal is het gelukt. Ze werden kwaad en opstandig, en begonnen het farmacologische regime van de afdeling in vraag te stellen. Ze vroegen zich ook luidop af of gesprekstherapie niet meer baat zou kunnen hebben dan al die pillen die hun branie en libido en ontroering zonder genade in de kiem hadden gesmoord.

Maar de verpleegkundigen hadden het te druk met de voorbereiding van feestjes en overspel. En de psycholoog was de zenuwinzinking nabij, want hij moest al ons verdriet en onze kronkels en onze dwangrituelen helemaal alleen opvangen. Hij verdient een chocolade medaille en een marsepeinen leeuwentemmer. En mijn borsten als hij wil. Ik deel die gemakkelijk uit.

Terug thuis probeer ik dapper van de benzobucht af te geraken. Ik denk met liefde en heimwee terug aan mijn medepatiënten: de schizofrene alpacafokker, de manische hoefsmid, de alcoholistische stalkster van Will Tura, de bipolaire garnalenpeller, de anorectische zadelmakervrouw, de ontwapenende Buddy Holly-fan met Parkinson… Ze waren zoveel meer dan hun psychiatrische etiketten, en toen ik droevig was hebben ze mij omhelsd en chips gegeven (zoals in het mooie ‘Chanson pour l’auvergnat’ van Georges Brassens).

Conclusie: de beste, grappigste, gevoeligste, meest integere, meest vertederende mensen in een ziekenhuis zijn de mensen met een patiëntenbandje, een nerveuze tic, en een beige bed.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234