Zaterdag 20/04/2019
Beeld Julie Cafmeyer

Column Julie Cafmeyer

Ik kan zijn boeken niet lezen omdat ik het onverdraaglijk vind dat hij ook een leven had voor hij mij kende

Julie Cafmeyer is columnist bij De Morgen. 

Ik zit aan de keukentafel te ontbijten met een man. Nu zullen jullie denken: welke man? Dat kan ik jullie helaas niet vertellen. 

Dus beeld je in: een man, ik zou zelfs durven zeggen: een mooie man. Een mooie man met blauwe ogen die lief naar mij lacht. Lief, maar ook argwanend.

Sinds enkele weken overlaad ik deze man met mijn intense gevoelens die ik voor hem koester. Zonder censuur, zonder filter zeg ik hoe ongelofelijk ik hem vind. Hoe ik zelfs zijn boeken niet kan lezen omdat ik het onverdraaglijk vind dat hij ook een leven had voor hij mij kende.

Ja, hij is een schrijver.

Hij zegt: “Het klinkt wel alsof je verliefd bent op een heel puberale manier.” Dat bedoelt hij lief, maar ook argwanend.

Dood

Er ligt een krant op de keukentafel. Ik lees een artikel over de dood: de dood is een zeldzame zekerheid is in ons leven. Ik zeg: “Weet je wat ik dacht toen ik je beter leerde kennen? Ik keek naar je, en dacht: jij gaat dood. Op een dag ben jij er niet meer.”

Hij vindt het mooi wat ik zeg, maar ook dat het snel gaat. Hij vertrekt.

Ik wil nog zeggen: “Maar blijf toch hier, we leven!”

Ik blader verder door de krant en lees dat gorilla’s de doden eren. Een gorilla bleef twee dagen lang bij een gorillalijk. Hij sliep in hetzelfde nest. Hij verzorgde niet alleen haar vacht, maar probeerde ook haar hoofd te bewegen.

Zinkend schip

Een paar dagen later liggen we weer in hetzelfde bed. Ik zeg hem dat ik Virginia Woolf lees. The Waves, pagina 97: People are so soon gone, let us catch them.

Hij zegt: “Waarom doe jij de hele tijd alsof we op een zinkend schip zitten? We hebben toch tijd?” En dat hij nog verdriet heeft. Over alles wat voorbijgaat. Hij zou liever hebben dat de dingen wat trager gaan.

We vallen naast elkaar in slaap. In het midden van de nacht word ik wakker en is hij verdwenen. Ik ga naar de logeerkamer, maar ook daar is het bed leeg. Hoewel mijn appartement niet zo groot is, heb ik het gevoel dat ik naar hem op zoek moet. Of beter: hem wil terugvinden.

Hij ligt op de zetel te slapen. Ik ga op mijn knieën zitten, aai over zijn wang. Hij zegt: “Je hield me zo hard vast, alsof je me platdrukt.” 

“Sorry, lieve, mooie man.”

En toch: als ik sterk genoeg was, had ik niet op mijn knieën gezeten, maar had ik hem zonder iets te vragen meteen weer naar het bed gedragen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.