Maandag 25/05/2020

Place du Samedi

Ik hou van (bijna) alle vrouwen

Beeld © RV

Marc Didden is schrijver en columnist bij De Morgen.

Toen ik vanmorgen wakker werd - op mijn leeftijd is dat op zich al een belevenis - dacht ik spontaan: 'Hoe zou het nog met paus Franciscus zijn?' Waarom? Dat weet ik niet. Wellicht omdat ik even liever niet dacht: 'Hoe zou het nog met Marc Didden zijn?' En ook omdat ik van de paus gedroomd had. Een droom die ongeveer als volgt verliep.

De Heilige Vader en ik zaten in een elegante enotheek vlak bij het Sint-Pietersplein te Rome. Hij vroeg me hoe ik me voelde en ik antwoordde: "Goed", waarop hij dan weer raak opmerkte: "Ge ziet er anders slecht uit."

Hij mocht dat zeggen want ik kende hem van vroeger, toen ik nog tangolessen gaf in Buenos Aires. Pausman vroeg me wat ik wilde drinken en hij ratelde spontaan een rist namen van dure wijnen af die de rebel in mij wakker maakten.

Daarom koos ik voor een koel biertje. Dat doe ik in Italië altijd, trouwens, omdat ik vind dat ze daar lekker bier brouwen en ook omdat ik vind dat die flesjes Birra Moretti zo'n mooi etiket hebben. Op die afbeelding staat een soort Guy Mortier met een hoed op afgebeeld, aan de drank zoals altijd.

Toen stokte de droom een beetje. Franciscus en ik hadden elkaar na al die jaren eigenlijk nog weinig te vertellen, zo bleek. Hij was mijn carrière niet echt blijven volgen, terwijl ik juist alles wist van de zijne. Ik wilde hem zeggen dat ik het vervelend vond dat hij onlangs verklaard had dat mensen die bewust zonder kinderen blijven eigenlijk egoïsten waren. Maar ik hield mijn mond. Voor je 't weet heb je weer een hoop gedoe. En wie wil dat? Niemand toch?

Toch praatten we nog wat weg en weer over dingen waar mannen op leeftijd ná het werk en voor het eten nu eenmaal over praten: de straatwaarde van bruine heroïne, de degradatiekansen van Cercle Brugge, de toekomst van Canvas.

Het trof mij wel dat de kerkvader nog wist dat ik een muziekliefhebber was. Zelf was hij dat blijkbaar ook, want hij was die dag gekleed in een simpele mijter en een T-shirt met daarop de beeldenaar van Daan. Hij vroeg of ik het niet erg vond dat K3 ermee ophield. Of hoogstens doorstartte. "Ja, Vader", antwoordde ik. "En net daarom zie ik er zo slecht uit. Het verlies van K3 is voor mij een veel hardere dobber dan ik aanvankelijk dacht. Maar ik sla er me wel doorheen. Zoals ik me altijd overal doorheen sla."

Nee, waarom ik me vorige week een beetje slecht voelde was omdat ik onderweg naar het metrostation van een passante vernomen had dat Thérèse gestorven was.

En wie was Thérèse, zult u terecht denken? Thérèse was de bejaarde uitbaatster van het Brusselse café Au Laboureur, dat zich halfweg de Vlaamse Steenweg bevindt, een straat die al van in de middeleeuwen haar best doet om mensen vanuit het centrum van de hoofdstad tot aan de wallen van het Gravensteen te brengen.

Tot enkele dagen geleden struinde ze nog tweemaal per dag mijn huis voorbij, onderweg van of naar dat van haar in de Marollen. Ze was helemaal opgetrokken uit de stof waarvan legendes gemaakt worden: bazig en grappig tegelijk; ze had alles meegemaakt wat je in een mensenleven kunt meemaken en eigenlijk ook nog een ietsje meer.

Ze wist hoe je moest omgaan met dronkaards en met druiloren, met nuttelozen en met nitwits, met toeristen en studenten. Ze was niet op haar mondje gevallen en elk woord dat iemand op haar uitprobeerde, werd meteen voorzien van een vaak sterk en altijd beter wederwoord.

Als het er stil was, rond een uur of elf 's morgens, kwam ze wel eens bij je aan tafel zitten. Ze vertelde dan vooral over de oorlog, en hoe de Marollen toen waren. Hoe de zwarte handel toen woekerde op de pleintjes en in de stegen daar, en hoe ze haar hondje zo getraind had dat hij spontaan begon te blaffen wanneer er moffen op komst waren.

"Aa erkendege de noegels van eule bottinen!", zei ze dan, wat betekent dat haar hond alleen al aan de klank van de nagels in de zool van hun laarzen herkende dat de bezetter eraan kwam.

De laatste keer dat ik Thérèse op haar werkvloer bezig zag, is nog maar anderhalve week geleden. En het had weer met een hond te maken. Een klein tafereeltje dat zo uit een schilderij van Jan Steen had kunnen komen. Ik zat met een vriend een ochtendlijke koffie te drinken, toen een andere stamgast binnenstapte in het gezelschap van een jonge hond.

De viervoeter merkte meteen op dat ik het koekje bij mijn koffie onaangeroerd had gelaten; hij sprong half op onze tafel en graaide het handig mee. Zijn baasje pakte het hem meteen weer af, waarop de hond zich even grommend gedeisd hield, tot ie weer een aanval op de tafel ondernam, fluks een melkkuipje mee griste, daar zijn tanden inzette en het gulzig leeg likte.

Toen verscheen Thérèse. Ze pakte de hond bij zijn kinnebak, keek hem recht in de ogen en sprak hem streng toe, terwijl ze haar oude vuist balde: "Nog iene kie en'k sloeg al aa tanne d'er oit!", klonk het.

U hebt dat misschien niet begrepen, maar die hond wel. Hij ging onder de tafel liggen en staakte zijn strijd om gratis eten en drinken.

Mijn vriend en ik verlieten het pand en namen afscheid van elkaar. Ik liep de Vlaamse Steenweg door en voelde spontaan een mooi lied in me opkomen.

Het werd in 1904 geschreven door de Nederlander Jacobus Hendrikus Speenhoff, maar ik ken het vooral in de mooie versie van de Vlaamse folkrockgroep Rum. En het heet 'Ik hou van alle vrouwen'.

Ik hou ook van (bijna) alle vrouwen. Maar deze week toch vooral van Thérèse.

Beeld Karoly Effenberger
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234