Dinsdag 23/07/2019

Column

Hoeveel meisjeskont mag je zien op een oude Rubens? Dat laten we de Amerikanen bepalen

Marnix Peeters. Beeld Bob Van Mol

Op zijn berg in de Oostkantons schrijft Marnix Peeters (°1965) over vrijheid, vogels, zijn vader en zijn vrouw. Zijn nieuwe roman Ik heb aids van Johnny Diamond verscheen bij Pottwal Publishers.

Om reclame te maken voor het nieuwe boek hadden wij op Facebook een filmpje gepromoot waarin een heleboel mensen ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ zeggen – ook een paar kindertjes, wat wel een grappig effect had.

’s Avonds kregen wij een mail van Facebook, waarin ons werd gemeld dat ze de trailer offline hadden gehaald wegens grof taalgebruik.

Wij hebben een Trojaans paard binnengelaten waar wij nog heel veel spijt van gaan krijgen, zei ik. Dat milde gedweep met Amerika zoals het jaren­lang heeft bestaan: dat kon niet zo veel kwaad. De hele tijd
cool en no way zeggen, graag eens naar de Burger King gaan en met een bekertje koffie over straat lopen, liefst gehaast: dat valt onder New Yorkje spelen. Maar nu zijn ze met onze mores aan de haal. Nu laten we ze bepalen hoeveel je op een oude Rubens van een meisjeskont mag zien. Nu luisteren we braaf, als een Amerikaanse schijn­heilige komt zeggen welke woorden we mogen gebruiken.

En er is dus geen gram verontwaardiging over, zei mijn vrouw, haar mails checkend.

Vijf jaar geleden was in de media het kot te klein toen iTunes mijn roman als ‘N***e dozen’ in de rekken had gezet. Wij hadden ook nu een paar journalisten van de Facebook-farce op de hoogte gebracht – wat censuur levert altijd goeie aandacht op – maar geen enkele vond het interessant.

We malen er niet meer om, zei ik. We hebben van die Amerikanen helemaal gratis zo’n super­tof sociaal netwerk gekregen, het zou wel heel ondankbaar zijn om nu over zo’n detail te gaan mopperen. Alles waar wij als Europeanen beter in waren – breed­denkend zijn, divers zijn, tegen een stoot kunnen – zijn we zonder enige vorm van protest aan het opgeven. Nog even, en wij zitten ook allemaal met het zure gezicht van die opper­rechter met klem te zeggen dat wij in onze tienertijd nooit ofte nimmer onze broek eens hebben laten zakken op een feestje.

Wij, Europeanen, wij waren als Mitterrand. Wij zegden met onze kin vooruit ‘Et, alors?’ en wij bestelden een glas wijn. En nu zó in de val lopen! Wij vochten destijds aan de zijde van Frank Zappa in zijn oorlog tegen Tipper Gore toen die haar ‘Explicit lyrics’-stickers op de platen wilde plakken. ‘Cultureel terrorisme!’ riepen wij, en wij hadden gelijk. En nu lullen wij ook kranten vol als er ergens een woord in een liedje zit dat weleens een meisjes­zieltje zou kunnen krenken – herinner je die heisa over het WK-lied van die Brusselse rapper.

Wij hebben ons laten herleiden tot draaierige wikkers en wegers, wij zijn bang voor onze eigen schaduw, zitten op ons paard voor het minste en zijn zo teer als een roze baby. En we zijn er nog fier op ook – ‘Eindelijk zeggen we waar het op staat!’, lees je in de columns van de hysterica’s. Terwijl het een klucht is van angst en preutsheid.

De haard is uit, zei mijn vrouw, waar zij gelijk in had.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden