Donderdag 18/07/2019

Opinie

Hoe de lonen en de koopkracht sinds 1945 evolueerden

Beeld REUTERS

Peter Scholliers is verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel, en auteur van 'Een geschiedenis van de ongelijkheid' (EPO, 2014).

In de schets van binnenlandse problemen van Groot-Brittannië vermeldt Koen Vidal dalende reële lonen (DM, 29.10.2014, p. 14). Dat inspireerde me tot het schrijven van dit stukje over reële lonen in België na 1945 om wat noodzakelijk historisch recul te nemen. Het oogt misschien technisch, maar dat kan niet anders. Omdat ik een samenhangende reeks van reële lonen tussen 1945 en vandaag wil, kijk ik naar uurlonen van metselaars (1945 tot 1980) en industriearbeiders (1970 tot 2014). Lonen van beide groepen lopen vrij gelijk in de jaren '70.

Ik gebruik bruto-uurlonen, bruto belastbare lonen en besteedbare lonen. Ik breng bedragen voor de sociale zekerheid in mindering (cijfers zijn gekend) en moet de belastingvoet ramen (cijfers zijn gedeeltelijk gekend). Voor 1940 droegen arbeiders noch werkgevers veel bij tot de sociale zekerheid, maar na 1944 (het befaamde Sociaal pact) vergde de sociale zekerheid een hap van het brutoloon. Noem dit indirect of uitgesteld loon, maar het is in elk geval loon dat niet rechtstreeks in de geldbeugel van de arbeider komt.

Dat geldt nog meer voor belastingen, waarmee arbeiders almaar meer werden geconfronteerd naarmate de lonen stegen, zeker vanaf de jaren 1960. Om reële lonen te bekomen, heb ik al deze lonen omgerekend in munt van 1913, omdat ik hoop de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw te bekijken (maar niet nu). De cijfers in de grafiek drukken dus reële bruto- en nettolonen per uur uit in goudfrank van 1913.

Reële brutolonen (puntlijn), reële brutolonen voor belasting (stippenlijn) en reële besteedbare lonen (volle lijn), metselaars en industriearbeiders in België, 1945-2014. Beeld rv

Voor ik de grafiek duid, moet ik benadrukken wat deze niet toont. Omdat ik enkel naar uurlonen kijk, kan ik niets zeggen over de totale verdienste per dag, week, maand of jaar. De grafiek kijkt bovendien enkel naar volwassen, mannelijke arbeiders, wat me niet toelaat wat dan ook te zeggen over uurlonen van vrouwen. Ik kan evenmin iets melden over het totale inkomen van een gezin. Uiteraard heb ik niets te melden over reële vervangingsinkomens die almaar uitgebreider werden.

De grafiek zondert dus één aspect af en negeert de hele, complexe sociale context. Maar dat ene aspect informeert wel over de koopkracht van representatieve categorieën arbeiders, en daar is het mij (en sociale onderhandelaars, beleidslieden en de gewone man en vrouw) om te doen.

De loop van de reële brutolonen toont een trage klim van de koopkracht in de jaren 1950 (gekenmerkt door de mooie omschrijving silver fifties), gevolgd door een versnelling in de jaren '60 (de golden sixties). Sociaal overleg, forse toename van de productiviteit en koppeling van lonen aan de kost van het levensonderhoud verklaren de forse stijging tussen 1960 en 1970. Deze jaren laten wellicht de grootste groei ooit optekenen.

De jaren 1970 tonen nog een klim, maar die is iets zwakker dan in het vorige decennium. Echter, in de jaren '80 daalt het reële brutoloon onder invloed van de devaluatie van 1981 en beleid dat is gericht op besparingen. Vanaf 1990 groeien de reële brutolonen tot en met vandaag aan een almaar trager wordend ritme: + 1,1 percent per jaar in de jaren 1990 en + 0,3 percent sedert het jaar 2000 (tegen + 5 percent in de jaren 1960 en '70).

Voor de hele periode (1945-2014) groeide het reële brutoloon met 2,7 percent per jaar. Een ander verhaal vertellen de nettolonen. Het meetellen van sociale zekerheid en belastingen leidt tot een geringere stijging van de koopkracht: + 2,3 percent per jaar. Zo het reële nettoloon aanvankelijk 25 percent lager was dan het bruttoloon, bedraagt de kloof vandaag bijna 40 percent.

Tot het midden van de jaren 1970 lopen beide curven nog redelijk gelijk, maar de crisisjaren en rechtse regeringen halen een grote hap uit de koopkracht van het nettoloon in de jaren 1980, terwijl het herstel naderhand moeilijk was. De curve van de koopkracht van het reële besteedbare loon van arbeiders toont bijna een rechte lijn tussen het einde van de jaren 1980 en vandaag.

Gevolg is dat de koopkracht tegenwoordig iets hoger ligt dan in de vroege jaren 1970. Dat heeft me verbaasd. Dat kan bijdragen tot meer inzicht in armoede, grote gevoelens van onzekerheid en gestegen sociale ongelijkheid, waarover momenteel zo veel te doen is.

Wat ongelijkheid betreft geef ik mee dat tussen 1953 en 2012 het bruto nationaal product in vaste munt met 3,07 percent per jaar steeg, terwijl in dezelfde periode reële brutolonen toenamen met 2 percent en de reële nettolonen met 1,6 percent, of net iets meer dan de helft van de groei van het BNP.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden