Zondag 18/08/2019
Hilde Van Mieghem. Beeld rv

Column Hilde Van Mieghem

Hij maakte zich los uit mijn armen, trok zijn truitje naar boven, liet me zijn striemen zien en rende toen weg

Hilde Van Mieghem gunt ons een gloedvolle blik achter de schermen van haar leven.

“Zegt de naam Puia je nog iets, doet dat nog een belletje rinkelen?”, wordt me aan de telefoon gevraagd. Een belletje? In mijn hoofd speelt meteen een hele beiaard bij het horen van die naam. “Het is nu twintig jaar geleden dat hij vermoord werd en ik heb begrepen dat jij hem goed gekend hebt. Zou ik je daarover mogen interviewen?”, gaat de stem verder.

Mijn hart krimpt samen als ik aan dat prachtige Roemeense jongetje denk dat twintig jaar geleden rondzwierf op het Antwerpse Zuid. In versleten kleren en op kapotte schoenen bracht hij bloemen aan de man en deed dat met zoveel zwier en charme dat zijn voorraadje nog voor het middaguur verkocht was. Daarna zwierf hij van café naar café en tegen zes, zeven uur ’s avonds verdween hij weer met zijn oom, die de hele dag daklozenkranten verkocht aan de ingang van de Delhaize.

Als ik vrij was, spraken we elke middag rond twaalf uur af en gaf ik hem wat te eten en te drinken en daarbovenop les in de Nederlandse taal. Het was een bijzonder kind, schrander, levendig, vol humor en stralend als de zomerzon. Na enkele maanden kon hij lezen en schrijven.

Dat stralende kind had zo mijn hart veroverd dat ik overwoog om me over hem te ontfermen en hem in huis te nemen. Maar eerst moest ik twee maanden gaan filmen in Hamburg. Ik maakte hem duidelijk dat ik acht weken lang weg zou zijn, liet op een kalendertje zien wanneer ik terugkwam en kruiste die dag aan. Ik beloofde dat ik voor hem zou zorgen als ik terug was. Hij verstopte het kalendertje onder zijn kapotte truitje.

Toen ik terugkwam, wachtte ik hem elke dag op aan ons vaste tafeltje. Tevergeefs. Tot ik hem op een dag zag staan, half verscholen achter een boom. Hij was een schim van zichzelf geworden. Grauw en mager. Het licht in zijn ogen was uitgegaan. Zijn doodse ogen herkenden me nauwelijks. Ik nam hem in mijn armen en knuffelde hem, vroeg wat er aan de hand was.

Hij maakte zich los uit mijn armen, trok zijn truitje naar boven en liet me striemen zien op zijn buik en rugje en rende toen weg, zo hard hij kon. In café De Hopper vertelde men me dat hij in het prostitutiecircuit van het stadspark beland was.

Ik ging overleggen met de oom aan de ingang van de Delhaize. Er werd over geld onderhandeld. Ik mocht het kind, mits betaling van een serieuze som, hebben. Het maakte me bang. Dit zou alleen maar voor miserie zorgen, begreep ik. Ik nam me voor om de politie in te lichten.

Nog voor ik dat kon doen, kreeg ik telefoon van een onderzoeksrechter. Hij wist me te vertellen dat Puia gevonden was ergens aan de oever van de Schelde, vermoord en in stukken gesneden.

Ik had hem, samen met zoveel anderen, in de steek gelaten, besefte ik.

Ik voel me er nog steeds schuldig over.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden