Dinsdag 18/06/2019

column

Het poëziegeschenk 2020 moet door een vrouw worden geschreven. Ja, móét

Ellen Deckwitz. Beeld Merlijn Doomernik

Dichteres Ellen Deckwitz (1982) doet elke week haar ding met poëzie en proza.

Afgelopen week werd bekend dat het poëzieweekgeschenk 2019 geschreven zal worden door Tom Lanoye, en dat is echt leuk. Jammer alleen dat het de zesde keer op rij is dat die eer ten deel valt aan een man. In de week waarin uit het kersverse proefschrift van literatuurwetenschapper Corina Koolen blijkt dat de opmars van de vrouw in de letteren gewoon niet bestaat, is dat deprimerend.

Uit haar onderzoek blijkt dat romans van vrouwen niet alleen minder vaak literair worden gevonden maar ook minder snel bekroond. Nog steeds. Maar goed, dacht ik even, dat is proza. Met de poëzie gaat het de afgelopen jaren echt prima qua gendergelijkheid. Voor de laatste VSB-prijs werden zelfs meer vrouwen dan mannen genomineerd (alhoewel de trofee uiteindelijk naar een heer ging), en op de shortlist van zowel de C. Buddingh’-prijs als de Herman de Coninckprijs staan dit jaar evenveel jongens als meisjes.

In de best mogelijke van alle best mogelijke dimensies zou het geen klap uitmaken wat het geslacht van de auteur is, maar het geeft helaas wél een signaal af om jaar na jaar een man het poëzie­geschenk te laten schrijven. Het suggereert dat dat normaal is. Dat een vrouw er minder geschikt voor is. En dat is zonde, vooral als uit meerdere onderzoeken al is gebleken dat dezelfde tekst lager wordt gewaardeerd wanneer lezers vooraf te horen hebben gekregen dat deze is geschreven door een vrouw in plaats van een man.

Als vrouwen geen kans krijgen zich te bewijzen, blijven dit soort waanideeën bestaan. Je loopt daarbij trouwens ook het gevaar dat je een werk overwaardeert, omdat het toevallig door een meneer is geschreven. Ik laat ieder jaar aan mijn studenten het gedicht ‘In de stralend gouden avondgloed’ van Pieter Boskma lezen, zonder te vertellen wie de auteur is. Van degenen aan wie ik vervolgens onthul dat het een man is, vindt slechts driekwart het vreselijk, tegenover meer dan 90 procent als ik zeg dat er een vrouw achter zit.

Op het eerste gezicht is het logisch dat de keuze op Lanoye is gevallen, los van het feit dat hij een fijne dichter is. Voor het poëziegeschenk worden altijd auteurs geselecteerd die even sterke poëzie als proza schrijven (een greep uit de laatste jaren: Ilja Leonard Pfeijffer, Stefan Hertmans, Peter Verhelst). Een slimme zet om de fans van hun romans te verleiden ook eens een dichtbundel aan te schaffen. Maar als het bij voorkeur dubbeltalenten zijn die in aanmerking komen voor het schrijven van het geschenk, waarom dan niet dichter/romanciers als Ruth Lasters, Maria Barnas, Astrid Roemer of Hagar Peeters? Waarom geen dame?

Het zou niet van belang moeten zijn, maar we leven helaas nog steeds in een wereld waarin er nog zo veel vooroordelen zijn dat het wél uitmaakt. Neem bovenstaand gedicht (en ja, het klopt dat er geen auteur wordt vermeld, dat komt volgende week). Hoe waardeer je de openingszin als je denkt dat een vrouw erachter zit? Is het dan klef? Of de slotzin? Is het mansplaining als je denkt dat die door een man is geschreven? Het feit dat er verschillen in bestaan, betekent dat we er nog lang niet zijn. En daarom moet het poëziegeschenk 2020 door een vrouw worden geschreven. Ja, móét. Keuze genoeg.

Maximumsnelheid

Handen verstrengeld liepen we alsof we op weg waren naar Sydney. We wandelden zo vaak, zo vaak. Sloffend totdat de bladeren hopen vormden waar we ons in konden verbergen.

En we wandelden door velden niet van heel hoog gras maar met bomen omringd. Het enige, het enige wat ik niet wilde was dat we sneller zouden wandelen.

Wandelen in de huiskamer, het bed, de supermarkt, de douche of bij jouw ouders, als het echt moest. Op de fiets naar het werk in mijn gedachten. Zo vaak dat een marathon een warming-up was.

Ultralopen is een sport. Belangrijk is de combinatie van techniek en tactiek. Als je alles onder controle hebt moet je zachter gaan lopen. Zo zacht dat omdraaien sneller is. Maar het deert niet, later draaien we toch weer om. De andere kant, zolang de passen maar gelijk blijven.

De maan bereik je alleen met stappen in de lucht. Grote stappen, zeker dubbel de mijne. Wandelen is soms ook je een weg banen vond jij. En we wandelden zo vaak, zo vaak. Een snelweg is goed zolang hij uit één baan bestaat. Maar het was zo druk dat vrachtwagens en taxi’s vierbaanspaden bouwden. De maan zie je alleen als hij vol is en zelfs dan maar van één kant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden