Dinsdag 22/10/2019
'Bozar is een van de wonderlijkste plekken op deze planeet. Niet dat ik al op een andere geweest ben, of het zou het Waasland moeten zijn.' Beeld Eric de Mildt

Marc Didden

Het mysterie van het geheim van de Lotto

Marc Didden is columnist bij De Morgen.

Het zomert in Brussel. Of toch zo goed als. Terwijl ze in Rio de Janeiro aanstalten maken om het olympisch vuur voor een jaar of vier te doven, zit ik in een bushokje naar mijn schoenen te kijken en word ik er aangesproken door een redelijk opzichtelijk geschminkte dame van zeer middelbare leeftijd. Ze woont in een wolk van parfum die voor zover ik een kenner ben niet uit Parijs afkomstig is, al weet ik toevallig dat zich daar tegenwoordig ook al een vestiging van Hema bevindt.

Marc Didden Beeld Johan Jacobs

Ze komt naast me zitten en wat ik al gevreesd had, gebeurt ook. Ze spreekt me aan en zegt dan in het Algemeen Beschaafd Waaslands: "Ik ken u." Ik tracht een glimlach te bedenken, altijd een handig stuk pasmunt wanneer de tol van de provinciale roem toeslaat.

Ik wilde net gevat "Ik wou dat ik hetzelfde kon zeggen!" antwoorden, maar toen sloeg mijn gesprekspartner ten tweede male toe. Ze leunde iets te dicht tegen mijn aangezicht aan en schreeuwde me het volgende bevel toe: "Zeg mij uw naam eens , gij!", klonk het.

En dan tegen haar meegereisde vriendin: "Ik ken hem, maar ik weet niet wie hij is."

"Ik ben de broer van Sergio Quisquater", zei ik, terwijl ik mijn gsm-toestel bovenhaalde en deed alsof ik even mijn berichten checkte. 'Waar blijft God als je 'm nodig hebt?', dacht ik ondertussen. Alsook: 'En als God niet bestaat, waar blijft die verdomde bus 48 dan?'

Niet veel later bevond ik me al aan de Grote Zavel, een bijzonder mooie plaats waar ik mezelf tegenwoordig eindelijk chic genoeg vind om er tussen het voormalige klootjesvolk een Aperol Spritz te drinken die net goed genoeg is om mij even op het eiland Giudecca te wanen.

Van dreigingsniveau 3 was hier weinig te merken, alsook viel er niemand met een Waaslands accent te bespeuren. Slecht Frans en slecht Engels waren er die dag, net als alle andere dagen de voertalen, en ik prees me gelukkig dat ik er niet te lang moest verblijven omdat ik eigenlijk alleen maar onderweg was naar Bozar, een kunstkasteel dat in een niet zo verafgelegen verleden nog gewoon Paleis voor Schone Kunsten heette.

Paardendressuur

Ik kom er nu al 60 jaren over de vloer en ik vind het nog steeds een van de wonderlijkste plekken op deze planeet. Niet dat ik al op een andere geweest ben, of het zou het Waasland moeten zijn. Het gebouw doet me nog altijd wat, na al die jaren. Net zo goed wanneer ik er voorbijwandel, dan als ik er een voorstelling of een tentoonstelling ga bekijken, een concert bijwoon of gewoon via een zijdeur de cinematheek induik.

Ik heb er in het verleden al afspraak gehad met Frank Zappa en Hugo Claus, met Peter Brook en Cliff Richard & The Shadows, met Rembrandt van Rijn en Roman Polanski, met Leonard Bernstein en Michaël Borremans.

J'aime Bozar, van binnen en van buiten.

Daarom was ik een beetje boos op mezelf dat ik het paleis de afgelopen maanden wat in de steek gelaten had door dagenlang zo lui als wat op mijn leren bank te zitten kijken naar al die geweldige sportlui die zich moe maakten op het EK voetbal, tijdens de Tour de France en op die aflopende Olympische Spelen.

Merkwaardig toch dat een mens tijdens die Spelen telkens weer, als door een vreemd insect gebeten, bij zichzelf een vermeende passie ontdekt voor vergevorderde vormen van vrijetijdsbesteding als pistoolschieten, badminton, synchroonzwemmen en jumping.

Vooral dat laatste begrijp ik niet écht van mezelf, omdat ik in een gezin geboren ben waar altijd hardop gelachen werd met rijkemensensporttakken als tennis, golf en paardendressuur. We waren er thuis zo tegen dat mijn vader tijdens de cérémonie protocolaire van het individuele springen al eens placht te roepen: "Ze zouden die medailles beter rond de nek van die paarden hangen!"

Iets wat hij wel op erg overtuigende wijze moet gedaan hebben, bedenk ik nu, want ik hoor het hem tot vandaag de dag nog altijd zeggen, veertig jaar nadat hij het toneel des levens voorgoed verlaten heeft.

Im Museum

Bozar dus. Ik ben er vorige week nog eens binnengestapt en daar had ik al na enkele ogenblikken geen sikkepit spijt van. Ook op zo'n stille hoogzomermiddag kon ik uit een handvol tentoonstellingen kiezen die zich afspeelden in dat bijzondere gebouw dat zich tussen de Brusselse Koningsstraat en het Ravenstein bevindt.

Ik koos voor de schattenkamer die schuilging achter de benaming Facing the Future, een geldige omschrijving van wat de ondertitel Art in Europe - 1945-1968 bij de ingang belooft.

En van bij het betreden van de eerste toonzaal was het al helemaal, om het eens in een wereldtaal te zeggen, oep aa bakkes. In twaalf stappen word je door de tentoonstellingsmakers vanuit de naoorlogse donkerte tot het hoopgevende einde van de jaren 60 geleid, van de prachtige schilderkunst die iemand als Alexander Dejneka aan een verwoest Berlijn kon onttrekken tot de spielerei van Marcel Broodthaers die een futiele poging om een tekst te schrijven wegwast omdat hij tegelijk zijn eigen regen bedenkt.

Onderweg door Bozar slaan de meesterwerken je zomaar om de oren: Pablo Picasso, Fernand Léger, Henry Moore, Gerhard Richter: ze zijn allemaal aanwezig en niet met hun slechtste werk.

Maar mijn ogen zijn vooral dankbaar dat ik het oeuvre ontdekte van iemand als de reeds genoemde Dejneka, dat ik het koud mocht krijgen terwijl ik naar een schilderij van de voormalige DDR-kunstenaar Werner Tübke keek, dat ik het resultaat van de artistieke arbeid van de Italiaanse meester Renato Guttuso kon meemaken, samen met zijn prachtig geschilderde politieke pamfletten waarop Siciliaanse boeren en bouwvakkers hun rechten bevechten.

'Hoe goed is het toch om in een museum te zijn!', dacht ik terwijl ik door Bozar waadde en net toen draaide ik een hoek om en stond ik plotseling oog in oog met het betoverend mooie doek dat Im Museum heet. Het is een werk van Hans Mayer-Foreyt en het stelt precies voor wat men van zo'n titel zou kunnen verwachten. Een wat dromerige blonde vrouw - familie van Hopper én Hitchcock - zit er met haar rug naar een liggend naakt en denkt 'Hier is het te doen'. Ik denk: 'Mevrouw, waarom heb ik u nog nooit eerder gezien?' Ze zegt: 'Waarom heb ik u nooit eerder gezien?'

Had gekund. Maar was niet zo.

Van Zwam

Terug naar de bushalte. Er zit alleen maar een stille man die Le Soir aan het lezen is. Hij zegt niet dat hij mij kent en dat is op zich al een hele opluchting. Maar hij spreekt me toch aan, over het stuk dat hij aan het lezen is. Het gaat over de Lotto-winnaar die zijn winst niet is komen opstrijken. "Weet u hoe zoiets mogelijk is?"

Ik denk even na en besef dat ik me moet reppen want de bus is in aantocht, zie ik uit de hoek van mijn linkeroog. "Dat weet ik niet", zei ik. "Maar ik heb er wel een theorie over", al zei ik er niet bij dat ik ze ter plaatse verzon.

Ik zei wel dat er diep in mij ook een soort van Detective Van Zwam huisde. En dat die tot de volgende conclusie gekomen was: "Dat wij meenden dat de winst van dat biljet van 6 miljoen dat bij de trekking van 26 maart laatstleden niet opgehaald was omdat het misschien in de zakken zat van iemand die vier dagen eerder omgekomen was bij de aanslagen in Zaventem of Maalbeek."

De man keek me wat vreemd aan en zei toen: "Ou peut-être un des terroristes?"

Ik liet de bus, die ondertussen aangekomen was, vertrekken zonder mij.

En plotseling was de zomer over.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234