Dinsdag 22/10/2019

Column

Het is niet onredelijk om studenten te vragen meer bij te dragen

Beeld kos

Topeconomen Paul De Grauwe en Koen Schoors wisselen elkaar af en schrijven over mens, wereld en economie.

Het ziet er naar uit dat het inschrijvingsgeld aan de universiteiten en hogescholen zal stijgen. Vandaag bedraagt dit ongeveer 600 euro. Het blijft nog onduidelijk hoeveel deze stijging zal bedragen. Maar het lijkt niet onmogelijk dat het inschrijvingsgeld tot 900 euro zou kunnen oplopen.

De reactie op een mogelijke toename van het inschrijvingsgeld is heel dikwijls emotioneel geladen. Laten we proberen de emoties uit het debat te verwijderen en het over cijfers te hebben. Ik ben mij ervan bewust dat cijfers onvoldoende zwaar wegen om emoties te bannen, maar laat mij het toch proberen.

Vandaag kost een gemiddelde student van het hoger onderwijs de overheid jaarlijks ongeveer 12.000 euro. Dat is in feite de kostprijs die door de belastingbetalers wordt betaald. Vandaag betalen die dus ongeveer 12.000 euro per student en per jaar.

Het inschrijvingsgeld bedraagt ongeveer 600 euro. Dat betekent dus dat de bijdrage van de gemiddelde student aan de totale kost 5 procent is, terwijl de belastingbetalers de overige 95 procent ophoesten. Bij die belastingbetalers zijn er nogal wat mensen die niet genoten hebben van het hoger onderwijs. We vragen dus aan die mensen om mee te betalen voor een dienstverlening waar ze zelf niet bij betrokken zijn. We moeten dus goede argumenten hebben om te stellen dat diegenen die niet genoten hebben van hoger onderwijs daar toch ook moeten voor betalen.

Er is zo'n argument. Economen maken een onderscheid tussen collectieve en privébaten. Laten we dat toepassen op het hoger onderwijs. Een jaar studeren aan een universiteit of hogeschool creëert een collectieve baat. Door het feit dat het kennisniveau in een maatschappij toeneemt, profiteert iedereen hiervan. Dus ook die mensen die niet genoten hebben van hoger onderwijs profiteren indirect van zo een kennismaatschappij.

Maar een jaar hogere studies creëert ook een privébaat voor de student. Die zal dankzij zijn hogere studies een beter betaalde en aantrekkelijkere job vinden dan zonder die studies. Dat is een baat die erg individueel is en die door de student later zal genoten worden.

Het grote probleem is nu uit te maken hoe groot de collectieve en de privébaten zijn. Door het feit dat de student vandaag slechts 5 procent bijdraagt aan de maatschappelijke kost van hogere studies terwijl de belastingbetalers 95 procent bijdragen, zeggen we impliciet dat de privébaten slechts 5 procent bedragen, terwijl de collectieve baten 95 procent vertegenwoordigen. Dat lijkt mij een sterk scheefgetrokken situatie. De informatie die we hebben over het private rendement van hogere studies wijst erop dat de privébaten veel meer dan 5 procent moeten zijn. De verhouding tussen de privé- en collectieve baten zal veel dichter bij fifty-fifty liggen dan de huidige 5-95 procent.

Ik besluit hieruit dat het niet onredelijk is om aan de student te vragen om meer bij te dragen in de kosten die hem later grote individuele baten zullen opleveren. Die bijdrage kan op een uitgestelde manier gebeuren, bijvoorbeeld door ze later te verrekenen in de personenbelasting die de student zal betalen. Op die manier voorkomen we dat het inschrijvingsgeld een obstakel wordt voor studenten uit lagere inkomensklassen, wier ouders het geld niet hebben om inschrijvingsgeld te betalen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234