Dinsdag 17/09/2019

Opinie

Het inzetten van het leger, hier of in het buitenland, is contraproductief en hypocriet

Beeld REUTERS

Ludo De Brabander is woordvoerder van Vrede vzw. "Ook wij hebben een verantwoordelijkheid in het ontstaan van salafistische netwerken", schrijft hij in een antwoord op een opiniebijdrage van Sven Biscop.

Sven Biscop plaatst terecht vraagtekens bij het ontplooien van militairen in onze straten (DM 22/1). Maar hij slaat de bal mis om vervolgens te stellen dat ons leger in het buitenland moet worden ingezet om daar de terreur te bestrijden.

Hij verwijst onder meer naar Irak en 'misschien zelfs' Libië waar we nodig zouden zijn om tegen de Islamitische Staat (IS) te strijden.

Neem nu Libië. Dat is net als Irak of Afghanistan een schoolvoorbeeld van hoe militair machtsvertoon meer problemen creëert dan oplost. De NAVO sprak eind 2011 over haar missie 'Unified Protector' nochtans in lovende termen. De NAVO leverde tijdens de opstand luchtsteun, wapens en financiële steun. Een van de "meest succesvolle operaties in de geschiedenis van de NAVO", verklaarde NAVO-secretaris Anders Fogh Rasmussen toen. België was een van de landen die gevechtsvliegtuigen inzetten.

Maar deze 'succesvolle operatie' is een nachtmerrie geworden. De milities die we hebben gesteund, zaaien vandaag terreur en geweld. Radicale islamisten verwierven de controle over Tripoli en andere steden en wijken. Ze lanceerden ook al diverse aanvallen op olieterminals zoals eind vorig jaar, toen daarbij 22 soldaten sneuvelden. Verschillende van die milities bekennen zich nu tot de Islamitische Staat of zijn er ideologisch aan verwant. Ook in Irak is IS het product van de sektarische chaos die de Amerikaanse invasie en bezetting heeft veroorzaakt.

Beeld YouTube

Laat ons dus alsjeblieft ophouden met beweren dat onze gevechtsvliegtuigen voor veiligheid zorgen. Het tegendeel is waar. De aanslagen in Madrid (2004) en London (2005) waren een reactie op de prominente rol die de regeringen van beide hoofdsteden speelden in Irak.

Sven Biscop maakt een grote fout door de terreur die radicale salafisten in Europa en elders zaaien volledig te decontextualiseren en met geen woord te reppen over onze eigen verantwoordelijkheid in het ontstaan van salafistische netwerken. Verschillende westerse landen en bondgenoten in de Golf hebben de afgelopen decennia financiële en militaire steun geboden aan gewelddadige salafistische groepen. Het gaat om een politiek die tot vandaag voortduurt. In Afghanistan lanceerde de VS met de steun van Saudi-Arabië en de Pakistaanse geheime dienst in 1979 een omvangrijk militair programma voor steun aan de Afghaanse Mujahedeen, de voorlopers van de Taliban en al Qaida. In volle Koude Oorlog moest dit een invasie van de Sovjet-Unie uitlokken, wat ook gebeurde.

Afghanistan ligt nu aan de basis van de groei van de internationale gewelddadige Jihad. Dergelijke steunprogramma's vonden ook plaats in Bosnië (1995) en Kosovo (1999) en Libië (2011).

Recente voorbeelden illustreren dat men weigert daaruit lessen te trekken en een beleid blijft voeren volgens het systeem: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. In Syrië probeert Saudi-Arabië aartsvijand Iran (bondgenoot van Syrië) een hak te zetten door massale militaire steun te verlenen aan radicale groepen zoals Anshrar al-Sham, dat ideologisch verwant is aan IS. Saudi-Arabië is de belangrijkste militaire klant van de Europese Unie: tussen 2008 en 2012 hebben de EU-landen voor 17,3 miljard (België: 1,17 miljard) euro aan wapens vergund voor export naar Saudi-Arabië. Saudi-Arabië is ook lid van de 'Coalition of the willing' dat net als ons land boven Irak gevechtsvliegtuigen tegen IS inzet. Niemand die zich daar blijkbaar vragen bij stelt.

In Turkije zijn er vorige week documenten geopenbaard die aantonen dat de Turkse Geheime Dienst (MIT) betrokken was bij een wapentransport bestemd voor Jabhat al-Nusra, het al-Qaida filiaal in Syrië. De reactie van de Turkse regering spreekt boekdelen: er is een verbod uitgesproken om over deze affaire te berichten. Turkije is lid van de NAVO.

De vijand-van-mijn-vijand-politiek neemt in Syrië absurde proporties aan. Dat blijkt uit het voorbeeld Israël. De Israëlische regering legt al sinds de jaren negentig al haar diplomatiek en militair gewicht in de schaal om het regime in Teheran op de knieën te dwingen. Afgelopen zondag nog kwamen een Iraanse generaal en enkele Hezbollah-leden (Sjiitische gewapende groep uit Libanon) om na een zoveelste Israëlische luchtaanval in Syrië.

In de buurt van de Golan-hoogte strijden Iran en Hezbollah aan de zijde van het Syrische leger tegen Jabhat al Nusra. Die al-Qaida groep veroverde vorig jaar belangrijke stellingen in de buurt van de door Israël bezette Golan-hoogte. De VN-missie (UNDOF) daar ter plaatste schreef in haar rapport van juni 2014 dat 'rebellen' 89 gewonde strijders afleverden aan Israël voor verzorging. Ook werd de overdracht van 'kisten' waargenomen.

Israël lijkt dus met andere woorden een militaire alliantie te zijn aangegaan met zijn natuurlijke vijand om ten strijde te kunnen trekken tegen een nog groter geachte vijand.

Inmiddels zijn de VS bezig met een grootschalig trainingsprogramma voor 'gematigde' Syrische rebellen. Nochtans is gebleken dat die gematigde groepen al eens van kamp durven veranderen en hun wapens meenemen naar IS of Jabhat al Nusra.

Op het moment dat onze media volstaan van analyses en uitspraken over de strijd tegen de terreur, wordt elders een machiavellistische politiek gevoerd die de groei van deze terreurgroepen in de hand werkt.
Het inzetten van het leger, hier of in het buitenland, is in die zin contraproductief en hypocriet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234