Donderdag 22/08/2019

Opinie

Het grote psychiatrierapport: lezers reageren massaal

PZ Bethaniënhuis in Zoersel. Beeld Jonas Lampens

U reageerde massaal op ons grote psychiatriedossierEen greep uit de inzendingen.

Dialoog

Ook al zijn de verslagen misschien niet helemaal accuraat, het opent alvast de weg naar transparantie en dialoog. Sommige psychiatrische zorginstellingen nemen nog al te vaak een heel paternalistische houding aan, en hebben te weinig oog voor betrokkenheid van familieleden en partners. Psychiatrie moet mee met de tijd.

Katja Van Remoortere, via e-mail

Enkel mijn ervaring

Naar aanleiding van het psychiatrierapport wil ik mijn ervaring met de psychiatrie met jullie delen. Een twintigtal jaar geleden ben ik als gevolg van een zware familiale problematiek als twintiger in de psychiatrie terechtgekomen. Ik zal beginnen met te zeggen dat er zeker mensen werkten die de beste bedoelingen hadden. Verder heb ik daar vooral vernederingen moeten ondergaan, onterechte moraallessen en andere gelijkaardige ervaringen. Voor minder dan drie maanden deden ze het niet en na die periode ben ik weggegaan. Zoals ik toen was, had ik daar zeer lang kunnen blijven. Zou het iets uitgehaald hebben? Waarschijnlijk niet. Het heeft me alleen geholpen om in te zien dat ik een andere weg moest opgaan. De gevolgen van die familiale problematiek zullen nooit weggaan maar vandaag ben ik gelukkig wat sterker. Ook laten ze daar uitschijnen dat er 'absoluut' niets mis is met de wereld (of de familie) maar dat de oorzaak enkel en alleen bij jezelf ligt. Best wel misleidend en goed om nog meer in verwarring te geraken. Later klopte ik – op een dieptepunt – aan op de spoed. Ze hebben mij daar zonder meer op de wachtlijst gezet voor de psychiatrische afdeling. Ze waren wel even te rade geweest bij de psychiater van wacht maar met de man in kwestie had ik niet gesproken. Een paar weken later was er een plaats vrijgekomen en heb ik mij laten opnemen, zonder intakegesprek. Ik kwam terecht in een omgeving waar je alleen maar dieper in de put door kunt raken. Ik moest verplicht in de rij staan om medicatie te nemen, voorgeschreven door de arts die ik nog nooit had gezien. De dag nadien heb ik die arts dan kunnen spreken en hij heeft mij naar huis gestuurd toen ik zei dat ik daar niet op mijn plaats was. Ik vroeg hem een document voor de verzekering te tekenen maar het tweede deel (dat eenvoudig van het internet te halen was) ontbrak. Hij en zelfs de verplegers vertikten het om het document even te printen. Ik moest het volledige document daarna maar komen brengen maar tegelijkertijd waarschuwden ze mij dat het weinig zin had omdat ze het toch zouden verliezen. Ik had toen echt nood om even alles weer op een rij te zetten maar het resultaat was dat ik opnieuw in 'de kou' stond. Echt ziek in de psychiatrische betekenis ben ik nooit geweest maar er zijn een heleboel levensmoeilijkheden die de mensen ook tot in de psychiatrie brengen. Over medicatie en over het aantal mensen dat mogelijk onterecht medicatie neemt zullen we ook maar zwijgen.

Dit is enkel mijn ervaring. Ik wil er vooral van uitgaan dat velen wel goed zijn geholpen. Maar dat er nog veel kan en moet veranderen in de psychiatrie is een vaststaand feit.

Naam en adres bekend bij de redactie

Individuele therapie wetenschappelijk?

Ik ben het met de meeste standpunten van Koen Lowet eens (DM 20/2)Maar ik begrijp niet hoe je individuele therapie wetenschappelijk kunt onderbouwen. Wetenschap is systematisch verkregen en geordende objectieve menselijke kennis. Maar psychologie is individueel en subjectief. Niet elke therapeutische interventie die wetenschappelijk is onderbouwd werkt bij alle cliënten. Niet alle cliënten hebben dezelfde voorkeur voor therapeut en therapierichting. En net dat hebben ze... wetenschappelijk onderzocht: niet de therapierichting is bepalend, wel de relatie met de therapeut is bepalend of een therapie werkt of niet.

Een tweede punt gaat over de adolescenten. Ik vermoed dat Koen Lowet het heeft over een tekort aan aanbod in de psychiatrische ziekenhuizen. Ik begeleid al enkele jaren jongvolwassenen ambulant (studenten van hogescholen, 18- tot 25-jarigen, krijgen tussen 3 à 10 sessies terugbetaald door de hogescholen). Maar wat ik merk, is dat studenten op die leeftijd snel bijleren over zichzelf en hun omgeving. Ze zijn kritisch, staan op het punt los te komen van het ouderlijke gezin, hun leven staat nog niet vast, ze zijn heel flexibel, en hebben vaak weinig therapeutische weerstand. Dwars door de boter, zoals mijn collega onlangs zei. Voor de maatschappij, een efficiënte kosten-batenanalyse.

Lobke D'Hespeel, Gent

Verbinding en creativiteit

Ik ben een (kersverse) hulpverlener (23 jaar) in de psychiatrie en ben me, net als mijn collega’s, bewust van de vele hiaten en gebreken in onze sector. We kunnen er op verschillende manieren mee omgaan. Zo kunnen we wijzen op het feit dat we meer middelen en personeel nodig hebben. Te weinig personeel kan bijvoorbeeld isolaties als noodzakelijk kwaad in stand houden. Toch mag dit niet het enige antwoord zijn. 

Inzetten op meer registratie, controle en transparantie kan ook een reactie zijn. Zo kan het registreren van het aantal isolaties zorgen voor bewustwording. Tegelijk houdt dit risico’s in. Zorg laat zich niet zomaar tot cijfers herleiden. Intermenselijke relaties kunnen niet gevat worden in ‘objectieve’ cijfers. Bovendien heeft het toenemend registreren ook een omgekeerd evenredige verhouding met de tijd die we aan cliënten en hun omgeving kunnen besteden. Een ander gevaar is dat de meest complexe gevallen, waar we cijfermatig weinig mee kunnen bereiken, geen plaats meer krijgen binnen onze psychiatrie.

Ik zie nog een andere mogelijkheid: hulpverlening moet meer inzetten op verbinding en creativiteit. Door samen te werken met alle betrokkenen kunnen we de grenzen van onze hulpverlening creatief ombuigen en omzeilen. Mijn eigen organisatie (Outreach De Steiger–De Meander) is een mobiele interventiecel voor personen met een verstandelijke beperking én een bijkomende psychische problematiek. Concreet gaat dit over personen die agressief en zelfverwondend gedrag stellen, niet meer uit hun bed geraken, seksueel afwijkend gedrag stellen. De combinatie van beide problematieken zorgt ervoor dat deze personen niet passen binnen de klassieke hokjes van onze hulpverlening. Om in te gaan tegen de negatieve spiraal van “nergens passen”, zetten wij in op samenwerking. Niet alleen tussen twee ziekenhuizen (P.C. Dr. Guislain in Gent en PC Caritas te Melle), maar bij elke aanmelding zetten we ook in op verbinding met het betrokken netwerk. De ontmoetingen met cliënten, familie en hulpverleners zorgen voor een nieuwe visie: ‘abnormale cliënten’ worden mensen met dezelfde drijfveren als u en ik; ‘lastige ouders die zich overal mee bemoeien’ worden ervaringsdeskundigen die hun kind ontzettend goed kennen; ‘rigide hulpverleners’ worden zoekende mensen, ‘de outreacher als deskundige’ wordt iemand die meer vragen heeft dan antwoorden. Deze visie geeft opnieuw perspectief. Door samen te zoeken en te ‘bricoleren’ (in plaats van een geprotocoleerde weg van A naar B), ontstaat er een gedeeld dragen van de situatie. En hier ligt voor mij dan ook de essentie van de hulpverlening: Caring is sharing. Ik zie in het werkveld verschillende initiatieven die hierop inzetten en die zo ook mooie resultaten bereiken. De journalisten in de zaterdagkrant van De Morgen sluiten hun opiniestuk af met de volgende boodschap “lezen, reflecteren en verbeteren”. Ik zou graag eindigen met een extra advies: “luisteren, delen en creëren”.

Saskia Rigolle, begeleidster Outreach De Steiger-De Meander, P.C. Dr. Guislain, Gent

Beter bezig

Ik kijk uit naar jullie reeks , ik ben de vader van Jonathan Jacob, tot tweemaal toe geweigerd in de psychiatrie voor hij werd doodgeslagen in een politiecel te Mortsel. Dinsdag, 22 februari, is er na een strijd van meer dan zeven jaar eindelijk uitspraak; 28 keer ben ik dan voor de rechtbank verschenen .

Wat onze strijd tot een zware lijdensweg heeft gemaakt, is dat de instelling “geen fouten” kan toegeven. Ik verwacht dat jullie het een en het ander gaan blootleggen. En dit kan er alleen maar toe bijdragen dat mensen die hulp nodig hebben de gepaste hulp krijgen. De geneeskunde is op alle gebied zo enorm geëvolueerd en de psychiatrie heeft algemeen gesproken nog een grote inhaalbeweging te maken. Ik meen dat ze nu beter bezig zijn, al krijg ik af en toe een telefoon of brief van radeloze ouders. Dan denk ik: 'Gaat dat nu nooit veranderen?' Het zal dankzij iemand als Brenda Froyen zijn dat er betere hulpverlening zal volgen. Ook de rol van de media is enorm belangrijk. Zonder hun steun had ik (wij) deze strijd niet kunnen leveren. Gelukkig zijn er ook goeie artsen zoals een Chris Bervoets en nog anderen die de meest kwetsbare groep mensen helpen en die een verschil kunnen maken.

Jan Jacob, via e-mail

Klanten

Het zou al veel helpen als psychiatrische instellingen spreken over klanten, in plaats van over patiënten. Een patiënt moet jou verdienen, anders behandel je haar/hem niet, of mis-behandel je. Dus loopt het mis.

Een klant moet je verdienen, elke dag, en elke dag opnieuw.

Herwig Janssens, Antwerpen

Naar autonoom wonen

Mijn verhaal gaat over Marie. Marie heeft 21 jaar een job als logistiek assistent gehad. Haar wereld stortte in toen haar zoon een zwaar verkeersongeval kreeg. Hij overleefde het ongeval, maar de zorg die daarop volgde, woog zwaar door. Marie verloor haar werk, werd uit huis gezet en raakte verslaafd aan alcohol. Op een bepaald moment vond Marie het genoeg en besloot ze zelf zich te laten helpen in de psychiatrie. Sinds ze daar is, heeft ze geen alcohol meer aangeraakt. Zodra ze wat meer stabiliteit voelde tijdens de opname, is men met haar een traject begonnen binnen arbeidszorg. Toen het project Proeftuinen Zorgdorpen startte (een vorm van inclusief en autonoom wonen met persoonsgerichte ondersteuning), heeft men Marie aangemeld met de vraag naar woonst en hulp om de overgang naar zelfstandig wonen te kunnen maken. 

Marie en ik hebben een lange zoektocht naar een geschikte woning gedaan, maar botsten telkens op het stigma ‘psychiatrie’ en het lage inkomen. Pas in januari 2017 hebben we een betaalbare woning gevonden. Sinds 1 februari is Marie daar ingetrokken. De grootste aanpassing was de plotse verandering van leven in grote groep naar het alleen wonen. Terwijl Marie in de psychiatrie ’s avonds steeds bij medecliënten of hulpverlening terecht kon voor een gesprek, wordt ze nu geconfronteerd met het alleen zijn. We merken bij veel cliënten dat het ‘loslaten’ van de psychiatrie, de voor hen vertrouwde omgeving waar men vaak ook afhankelijk wordt gemaakt, niet evident is en dat de stap naar een nieuwe situatie vergemakkelijkt wordt door ook na de transitie naar autonoom wonen nog contacten aan te houden. 

Het proeftuinteam begeleidt de transitie naar alleen wonen gedurende ongeveer 10 weken. Deze periode varieert afhankelijk van elk traject. Ons doel is dat elke cliënt zorg op maat heeft. Bij onze zoektocht naar deze hulp buiten de psychiatrie botsen we vaak op financiële draagkracht, lange wachtlijsten of het niet in aanmerking komen van deze bepaalde zorg. We merken op dat we nog een lange weg af te leggen hebben, naar inclusie en vermaatschappelijking, maar geven als hulpverlener en als mens niet op. Daarvoor is het leven en werken buiten de psychiatrie iets dat cliënt en hulpverlener aanstekelijk werkt bij elkaar.

Sara Mertens, psychiatrisch verpleegkundige P.C. Dr. Guislain, Gent

Evidence based psychiatrie: niet evident

Mooi interview met Micha (DM 20/2). De artikels zijn dik in orde. Al vraagt het nog een beetje extra nuancering. Zeker het stuk “Worden we beter in de psychiatrie?” roept om een paar kanttekeningen.

1. Evidence based psychiatrie? Er wordt door veel experts gepleit voor meer wetenschappelijke onderbouw van de behandelingen in de psychiatrie. Er van uitgaand dat een behandeling die haar nut (wetenschappelijk) bewezen heeft, voor iedereen (of toch voor velen) zal werken. Dit is een nobele gedachte die ervan uitgaat dat het (technisch correct) uitvoeren van deze behandeling een grote impact heeft op de uitkomst van de zorg voor de patiënt. Veel onderzoek is verricht naar wat nu de werkbare factoren zijn binnen de geestelijke gezondheidszorg (wat maakt nu dat de zorg leidt tot een goed resultaat voor de patiënt). M. Lambert en B. Duncan (Amerikaanse onderzoekers) stellen beiden apart vast dat het gehanteerde model of de techniek eigenlijk maar verantwoordelijk is voor maximaal 15 procent van het resultaat van de behandeling. Wat voor beide onderzoekers veel meer effect heeft is de relatie tussen patiënt en therapeut: 30 procent. Duncan hecht veel meer belang aan de effecten van de therapeut en aan de effecten van de samenwerkingsrelatie dan aan de behandeling op zich of aan het gehanteerde model.

2. Uitkomstenmeting. De Nederlandse onderzoeker Chris Nas beschrijft voor- en nameting als manier van meten wat het resultaat van een behandeling kan zijn (DM 20/2). Het verschil tussen beide metingen zou dan het effect van de therapie zijn? Volgens Duncan is de impact die de geestelijke gezondheidszorg heeft op patiënten slechts 13 procent. Nas verwijst al naar de impact van verliefdheid of verlies van partner tijdens de behandeling. Beide elementen hebben zodanige impact op het resultaat dat ze de impact van de behandeling helemaal kunnen overschaduwen. Wij, als VVGG, stelden een model voor van uitkomstenmeting met meerdere tussentijdse metingen. We meten verbetering van de klachten, de tevredenheid met zijn sociale relaties, de tevredenheid over de behandeling en de tevredenheid over de behandelaar. Meerdere metingen geven de kans om tussentijds in te grijpen. Niet de cijfers zijn voor ons van belang, maar wel wat met die cijfers gebeurt in het gesprek met de patiënt. We spreken hier over feedbackgerichte behandeling.

3. Nut voor de patiënt of voor de bredere context? Wij bieden ons instrument aan als een therapeutisch instrument, niet als een managementinstrument. Het is goed om ook de macrocijfers te kunnen presenteren, maar heel snel wordt hier in Vlaanderen overgestapt naar benchmarking, zowel tussen organisaties (wie biedt op welk vlak nu de beste zorg aan) als intern (welke therapeut doet het goed of niet). Goed of slecht werken heeft ook te maken met de complexiteit van psychische / psychiatrische problemen. Hoe complexer, hoe minder snel of minder hoog de verbetering zal zijn. Dit is de grote kritiek in Nederland: men gaat er eveneens snel vergelijken en de verleiding bij behandelaars groeit al om de eenvoudiger problematieken te gaan behandelen (= meer en sneller kans op succes), waardoor de complexere problematieken in de kou komen te staan. Elk voordeel heeft ook zijn nadeel.

In ons systeem (dat ondertussen door vier ziekenhuizen gehanteerd wordt) leggen we de nadruk enerzijds op meerdere metingen en op de relatie: bespreek de cijfers met je patiënt; gebruik dus deze feedback. Loopt er iets fout, dan kun je tenminste sneller ingrijpen en het resultaat van de behandeling misschien nog doen kantelen. Als je enkel bij de nameting kunt vaststellen dat het fout gelopen is, is het te laat.

Tussen haken, nog vijftien andere psychiatrische ziekenhuizen gebruiken (in minstens één afdeling) een of ander systeem van uitkomstenmeting. 

Jan Van Speybroeck, directeur Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheidszorg (VVGG)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden