Vrijdag 06/12/2019

Column Bregje Hofstede

‘Het enige nadeel van mijn sprookjestuin is dat hij nog niet bestaat’

Beeld Damon De Backer

Auteur Lize Spit en haar collega Bregje Hofstede, allebei 31, vertellen beurtelings over hun leven. Deze week: Bregje Hofstede.

Zodra je de deur uit stapt, ruik je de kruiden: salie, rozemarijn en tijm. De groententuin is een vrolijke chaos van bonen, bloeiende ui en doorgeschoten rucola. Nog verder achterin groeien de fruitbomen en spreidt de grote notelaar zijn takken boven de tafel. 

 Het is, al zeg ik het zelf, een sprookjesachtige tuin. Het enige nadeel is dat hij niet bestaat.

Al jaren koester ik de wens om ooit een tuin te hebben. Na decennia van noodlijdende potplanten en roetbevlekte balkons besloot ik dit jaar dat het tijd is. Dertig worden, uit zich bij sommige mensen in een hevige wens om zich voort te planten; zelf voel ik vooral de simpeler drang naar planten. 

Samen met mijn vriend ging ik dus op zoek naar dat beloofde land. Een betaalbaar huis bleek lastig. Maar terwijl de zoektocht aansleepte, maakte ik alvast lijsten met wat er in mijn tuin zou groeien, verzamelde zaadjes en handboeken. Overal waar ik dit jaar kampeerde, logeerde of op de kat paste, speurde ik naar planten; alles wat levensvatbaar leek, stak ik in potten en nam ik mee. 

Zo stekte ik in juli een framboos, een druif en een vijg in Frankrijk. In augustus volgde een braam uit de tuin van mijn zusje. In Arnhem kocht ik salie, en uit de tuin van mijn ouders nam ik Japanse wijnbes mee.

Alles wat ik verzamelde, ging met pot en al in een bananendoos. En telkens wanneer mijn vriend en ik ons verplaatsten, reisde de tuin met ons mee. Van camping naar logeeradres: achter in de Opel Corsa zwierden we de groene beloftes.

Maar een tuin is niet voor het zwerven gemaakt. De stekjes leden onder zoveel gesleep en ik besloot ze tijdelijk onder te brengen bij mijn uitgeverij. Pas na een paar maanden, nu ik weer in Amsterdam ben, haal ik ze op.

Ondanks de beste zorgen blijken ze verschrompeld. Bros en bruin hangen ze over de rand van hun pot. Van de zestien stekjes is alleen de salie nog in leven. “Sorry”, zegt mijn redacteur benauwd, en ik stel haar gerust: opgroeien in de vrije lucht en in de volle grond, om dan te worden losgehakt en in een armoedig stuk plastic gestoken, dat overleeft haast niemand.

Gelaten draag ik de overlever naar buiten en zet hem in mijn fietsmand. Dan zet ik me voorzichtig in beweging. Ter hoogte van het Waterlooplein, als ik met vaart de brug af kom suizen, stapt plotseling een man het fietspad op. Ik geef een slinger aan mijn stuur, kom half ten val, en hoewel ik zelf overeind blijf, kiepert mijn fiets, topzwaar van de potgrond, om. De man struikelt van schrik achteruit en landt op zijn rug.

Pas als alles tot stilstand is gekomen, neem ik hem in me op. Hij is zwart en draagt meerdere lagen kleding die zo vuil zijn dat ze met elkaar vergroeid lijken. In gebroken Engels excuseert hij zich voor de salieplant, die ontworteld op het fietspad ligt. Zelf lijkt hij er nog slechter aan toe. Als ik vraag of alles oké is, kijkt hij me een paar seconden woordeloos aan. Dan staat hij op en verdwijnt in het gedrang. 

Ik stop de salie zo goed als het gaat terug in de pot, en probeer daarbij de tere wortels niet te breken die uit de aarde zijn losgerukt. Snel een plekje in de volle grond, dan redt hij het misschien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234