Donderdag 19/09/2019

Opinie

Het dogma van een begrotingsevenwicht zit nog steeds in de weg

Hans Bevers Beeld rv

Hans Bevers is hoofdeconoom van Bank Degroof Petercam.

Wat je zelf doet, doe je beter, luidt het gezegde. Maar als we het over het begrotingsrapport van de voorbije regeerperiode hebben, dan gaat die vlieger niet op. We kunnen beter spreken van een boemerang. 

Herinnert u zich de befaamde ‘show me the money’-uitspraak aan het adres van Elio Di Rupo nog? Die oneliner dateert van 2014, maar vijf jaar later tonen cijfers wat elke wakkere econoom al langer in de gaten had, namelijk dat de begrotingsinspanningen van de regering-Michel achterbleven bij die van Di Rupo. 

Zeggen dat het begrotingswerk van de voorbije regering geen onderscheiding verdient, is nu een open deur. Menige waarnemer laakt het aanhoudende overheidstekort. Maar het tekort op zich (oplopend tot zo’n 1,5 procent van het bbp dit jaar) is zeker niet de hoofdbekommernis. Het probleem schuilt dieper.

Loze beloftes

Wat vooral tegen de borst stuitte, was dat de Zweedse coalitie een begroting in evenwicht zomaar gelijkstelde met een duurzaam economisch beleid. Een niet-gering aantal commentatoren stapte blind mee in dat verhaal.

Steeds weer klonk het: ‘We kunnen onze kleinkinderen toch niet blijven opzadelen met schulden.’ Hoe verantwoordelijk die leuze misschien klinkt, de economische werkelijkheid is een pak genuanceerder, zoals verder blijkt. 

Een tweede vaststelling is dat de regering zich rijk rekende met de taxshift. Er valt wel degelijk iets te zeggen voor de taxshift, gezien de zware lasten op arbeid en de ondermaatse tewerkstelling in ons land. Een gedeeltelijke verschuiving naar andere financieringsbronnen houdt steek. 

Wat geen steek hield, was de bewering dat de financiering van de taxshift ook waterdicht zou zijn. Terugverdieneffecten, weet u wel. Helaas haalde de economische realiteit de decennia oude wensdroom van politici opnieuw in. 

De taxshift was ondergefinancierd en was als dusdanig een taxcut. Een verdedigbare keuze, maar wel gehuld in dikke mist in plaats van in transparantie. 

Ten derde: naarmate duidelijker werd dat de begrotingsinspanningen een mager beestje waren, deden beleidsmakers er nog een schep opportunisme bovenop. Telkens bleven ze hameren op het sterk teruglopende overheidstekort. 

Tussen 2014 en 2018 daalde het tekort inderdaad van -3,1 procent tot -0,7 procent van het bbp. Maar zonder de gunstige cyclische economische rugwind, de eenmalige maatregelen gelinkt aan de voorafbetaling van de vennootschapsbelastingen en de verder dalende interestlasten ziet het plaatje er anders uit. 

Het gemiddelde van de cijfers van het IMF, de OESO en de Europese Commissie leert dat het structurele primaire saldo, dat de echte begrotingsinspanningen meet, er slechts met 0,2 procent van het bbp op vooruitging. Opnieuw: dat is geen ramp, maar het druist in tegen de initiële belofte en de perceptie die politici creëerden.

Publieke investeringen

Een begroting in evenwicht mag goed klinken, op zich heeft dat geen waarde. Belangrijker is de dynamiek van de Belgische schuldgraad. 

De totale uitstaande overheidsschuld bedraagt op dit ogenblik iets meer dan 100 procent van het bbp. Dat is niet min in een internationale context, maar evenmin dramatisch. 

Of de overheidsfinanciën houdbaar zijn, wordt in essentie bepaald door drie elementen: de gemiddelde rente die wordt betaald op de uitstaande schuld, de nominale economische groei (dus inclusief inflatie) en het primaire saldo (het overheidssaldo zonder rentelasten). 

Concreet komt het erop neer dat bij een primair begrotingsevenwicht de dynamiek afhangt van de economische groei (g) en de betaalde rente (i) op de uitstaande overheidsschuld. Wanneer g > i, dan daalt de schuldgraad automatisch. 

In een voorzichtig scenario stevent de Belgische economie de komende jaren af op een nominaal groeiritme van 1,5 à 2,5 procent. Dat is nog altijd evenveel als de gemiddelde uitstaande rentelast, die nu zo’n 2 procent bedraagt. 

Die magere groeicijfers zouden allicht betekenen dat het primaire overschot van de voorbije jaren (0,5 procent van het bbp in 2019) afglijdt naar een evenwicht of licht tekort. Maar dan nog kan de totale schuldgraad dalen. De huidige rente op Belgische tienjarige overheidsobligaties (nu -0,3 procent) maakt dat de rentelasten de komende jaren nog gevoelig zullen afnemen. 

De oneliner ‘we kunnen onze kinderen toch niet blijven opzadelen met schulden’ is dus niet zinvol. Integendeel, we verzinnen maar beter een uitleg waarom we niet meer inzetten op een duurzaam publiek investeringsbeleid in functie van het groeipotentieel op langere termijn. Financiële markten stoppen vandaag zelfs geld toe. 

De rigide Europese begrotingsregels helpen niet, maar ook het dogma van een begrotingsevenwicht zit nog steeds in de weg. 

Minder loze beloftes, meer transparantie en een groter accent op overheidsinvesteringen: dat is toch niet te veel gevraagd?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234