Dinsdag 12/11/2019

Opinie

György Konrad bestreed met zijn pen de nuttige idioten die blind bleven voor de gevaren van het totalitarisme

György Konrad. Beeld tim dirven

Dirk Verhofstadt is professor aan de UGent en kernlid van denktank Liberales.

Met het overlijden van de Joods-Hongaarse schrijver György Konrad (1933-2019) verdwijnt een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Hij verafschuwde het nationalisme, het nazisme en het communisme dat hij aan den lijve had ondervonden. “Mijn leven? Ik werd geboren in 1933; ik was zes jaar oud toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en elf toen ik als gevolg van geluk en vindingrijkheid in leven bleef. Ik was twaalf toen ik het nationaalsocialisme bleek te hebben overleefd. Ik was vijftien in het jaar van de krachtdadige invoering van het communisme, werd daarna samen met het regime ieder jaar ouder, en was zesenvijftig toen het eindelijk de geest gaf.” Jarenlang mocht zijn werk in Hongarije niet worden uitgebracht en behoorde hij tot de Samizdat. Na de val van de Muur toonde Konrad zich een vurig verdediger van de rechten van de mens en voor de opname van de Midden- en Oost-Europese landen bij de EU, iets wat in 2004 ook gebeurde.

Hij brak door in ons taalgebied met romans als De bezoeker, De medeplichtige, Tuinfeest en De oude brug. Al even indrukwekkend waren zijn autobiografieën Geluk en Zonsverduistering over zijn leven onder respectievelijk het nazisme en het communisme. Dat hij het overleefde mag een wonder worden genoemd. Toen zijn vader in 1944 werd aangehouden en afgevoerd naar Boedapest, reisde hij hem als elfjarige achterna vanuit zijn geboortestad Berettyóújfalu. “Dat heeft mijn leven gered, want één dag later werden alle Joden uit Berettyóújfalu gedeporteerd. Niet alleen mijn klasgenoten, maar ook vijf van mijn neven en nichten, drie zusters van mijn vader en twee zusters van mijn moeder zijn in Auschwitz en Mauthausen omgebracht, en een oom van moederskant werd doodgeschoten door de Hongaarse fascisten. Ik heb gewoon geluk gehad, en dan mag ik niet zeggen dat de rest van mijn leven ondraaglijk was.”

De verpulvering van de mens, het wegkwijnen van het individualisme, in het bijzonder bij de 20ste-eeuwse intelligentsia, vond hij het grootste drama van die tijd. “De 19de eeuw was nog de periode van de behoudsgezindheid met klassieke dynastieën als de Habsburgers, de Romanovs, de Hohenzollern en in Groot-Brittannië het Victoriaanse tijdperk. De 20ste eeuw werd de periode van de radicale volksmenners. Geen rijke en adellijke mensen meer zoals een Otto von Bismarck, maar mensen die van onder kwamen, zoals Vladimir Iljitsj Oeljanov (Lenin), Iosif Dzjoegasjvili (Stalin), Benito Mussolini en de zoon van Alois Schicklgruber (Hitler). Allemaal onbekende mensen die plots wereldleiders werden. Het was ook de periode van de politieke, filosofische en artistieke avant-garde. Tegelijk de religie van de wil in het zog van Friedrich Nietzsche, en het gevecht om de sterkste te zijn in het zog van Marx en Darwin. Dit alles vormde het grote keerpunt in de eeuw die duurde van 1914 tot 1989. Zelfs de Balkanoorlog van de jaren 90 was er nog een overblijfsel van. In West-Europa eindigde die vreselijke eeuw met de creatie van de Europese Unie. Daarin kwam opnieuw het individu en niet langer de staat centraal te staan.”

Met zijn pen bestreed hij ook de nuttige idioten van de vorige eeuw die letterlijk blind bleven voor de gevaren van het totalitarisme. “Ik schrok daarvan. Zo hoorde ik Jean-Pauls Sartre de Culturele Revolutie in China verdedigen, waarbij talloze intellectuelen in concentratiekampen verdwenen. Hij zei dat die mensen een heropvoeding nodig hadden. Ik kon niet geloven dat hij zoiets stom zei. Het was trouwens niet alleen Jean-Paul Sartre. Ik ervoer tijdens mijn leven dat heel wat erudiete, goed opgevoede, slimme en intelligente collega’s hun huik naar de wind hingen, dat ze blind bleven voor misstanden en gemakkelijk vergaten dat andere mensen pijn leden. Maar ook voor die intellectuelen die eerst hadden geloofd in de gepreekte ideologieën en er nadien teleurgesteld in raakten heb ik geen medelijden. Wie zich had laten beetnemen was een onbenul.”

In Slingerbeweging, een van zijn laatste werken, hekelde hij de heropstanding van het nationalisme, het religieus fanatisme en het antisemitisme. Hij hield niet van abstracties als een natie of een volk, hij hield van mensen die hij in de ogen kon kijken. En over religies zei hij: “Daar hou ik niet van, die zijn mij niet heilig genoeg. Religies zijn te veel verbonden met macht en bezit, ze zijn te materialistisch, te middelmatig en dus te menselijk. En dan heb ik het nog niet over de geestelijken die grenslijnen trekken tussen mensen en elke humanistische empathie op de achtergrond dringen.” Niet verwonderlijk dat hij op het einde van zijn leven een tirade afstak tegen het gevaar van het islamisme. Op mijn vraag wat dan nog kon zorgen voor transcendentie kreeg ik als antwoord: “De wereldliteratuur, want die omvat, beschouwt en bespot de religies. Je kent toch het verhaal van kalief Omar die de bibliotheek van Alexandrië in brand stak, waardoor talloze boekrollen verloren gingen? Dat gebeurt nu opnieuw en ik ben er bang voor. Bang dat er nieuwe mensen zullen opstaan die boeken verbranden uit fanatisme. Religieus fanatisme is naast fascisme en communisme de derde vorm van totalitarisme waarbij men één enkel boek als de samenvatting ziet van alle wijsheid. Dat leidt tot bloedige catastrofes.”

Wie inzicht wil krijgen in de persoonlijkheid van György Konrád – Joeri voor de vrienden – moet Het verdriet van de hanen lezen. Het is een filosofisch traktaat over de zin en onzin van het leven. Het boek is een lyrische, soms melancholische tekst waarin de oude meester blijk geeft van een groot inlevingsvermogen en tegelijk van zijn scherp bewustzijn van de relativiteit het leven. “Een komeet is over het huis gevlogen, over vierduizend jaar komt hij weer terug.” We zijn er even, maar ook na ons blijft de rivier van Herakleitos ongenadig stromen. “Alles is relatief. Het langzaam verdwijnen in het niets is een perspectief waar we ons bij moeten neerleggen. Ons tijdelijke verblijf hier op aarde is gewoon un séjour.” Op de vraag of we als mens tijdens die korte periode van ons bestaan op aarde iets hebben geleerd uit de geschiedenis antwoordde hij pessimistisch. “Het leven is een voortdurend gevecht tegen de inkrimping van je levenscirkel.” Hij was zich scherp bewust dat bij elke dood van een mens een getuige van een voorbij tijdperk verdwijnt. Hij noemde zich dan ook “iemand die koppig de achterhoede van de mensheid vormt, klaar om te sterven”, waarbij onvermijdelijk een massa aan herinneringen verloren gaat, want “tot wat hij verlaat kunnen anderen geen toegang meer krijgen”.

“Vergeten maakt deel uit van het leven”, vertelde Konrád mij in zijn buitenverblijf in Heygemas, aan de oevers van het Balatonmeer waar hij zo graag vertoefde. Vergeten is het ware drama van de geschiedenis. Er leven nauwelijks nog levende getuigen van de verschrikkingen van de vorige eeuw. Dat geeft nationalisten die het verleden bagatelliseren en die ook hier in Vlaanderen weer bezig zijn met het opmaken van een artificieel geconstrueerde geschiedenis gebaseerd op mythes en verhalen die onvermijdelijk leiden tot afkeer voor de ander en tot de absurde verheerlijking van ‘het eigen volk eerst’, vrij spel. De grote meester gruwde ervan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234