Zaterdag 25/05/2019

Column

Geluk wordt niet bepaald door de herkomst van arbeid maar door de strik in het haar van een geliefde

Hugo Camps Beeld Bob Van Mol

Dissidentie mag ook. Onder die vlag vaart Hugo Camps elke donderdag.

Het is er de tijd naar, met sinterklaas, kerst en oudjaar. We leven even exclusief in de ban van de geluksvraag. Aan universiteiten regent het geluksonderzoeken en de geluksprofessor krijgt het laatste woord. Tot voor kort was dat de econoom en politicoloog. Geluk is wetenschap geworden.

Het peilen naar geluk is een steeds weerkerend metafyisch intermezzo. Een soort winderigheid die het leven opdeelt in categorieën. In het laatste onderzoek van de UGent wordt geluk gekoppeld aan de beroepskeuze. Voor zelfstandigen is de job een derde van hun geluk, bij ambtenaren is dat slechts 9 procent. Daaruit volgt de conclusie dat ambtenaren beter de balans vinden tussen werk en privé.

Sociale dwang 

De praktijk is taaier en minder categorisch. Eigenlijk is het onzinnig geluk langs de meetlat te leggen van een job. Een beroepskeuze wordt eerder bepaald door sociale dwang dan door verbeelding. Familie speelt een grote rol. De zoon van een bouwvakker staat meestal niet te trappelen om ambtenaar te worden. De sensatie van perkament is niet doorgegeven.

Hoe vrij is nog de keuze voor een job? Zonen en dochters van onderwijzers kiezen vaak voor het pedagogische mandaat van hun ouders. Ze kennen de voor- en nadelen van jongs af. De te verwachten staat van geluk speelt in die beroepskeuze nauwelijks een rol. Eerder is triviale jobzekerheid aan de orde, gekruid met een idealistisch sausje. 

De bewering dat de zelfstandige gelukkiger is in zijn job dan de ambtenaar is een roekeloze veralgemening. Veel zelfstandigen worstelen met overlevingsstress. Marktkramers lijken vrolijke vrije jongens, maar zijn even zorgelijk als de zelfstandige metselaar. Hun vrijheid is een dunne laag vernis die een dagelijkse race tegen de bureaucratie verbergt. Loodgieters klagen dat ze geen leven meer hebben met al die paperassen. Ook voor de zelfstandige is jobgeluk relatief.

Dat de ambtenaar meer geluk haalt uit zijn privéleven dan uit zijn werk is een dooddoener. Ik ken ambtenaren die thuis alleen maar chagrijnig zijn over de vang- en vliegkunst van hun chaotische werkgever. Het nutteloosheidssyndroom gaat mee naar huis. De ambtenaar of bediende als geluksmodel is voor stripboeken.

Handenarbeid

De vreugde van de arbeid bepaalt mede het karaat van een gelukservaring, maar de aard van het beroep speelt daarin geen rol. Het gelukkigst lijken mij mensen die hun leven vullen met handenarbeid, maar zij weten het zelf niet. Om maar te zeggen hoe irrelevant de job is voor een gevoel van welgedaanheid. Geluksprofessoren zoeken de laatste tijd naar de splitsing tussen het ego en de wereld om hun winkeltje draaiend te houden. Het blijft academische prullaria.

Ze komen in galop, de geluksvragen. Straks worden we gegarandeerd overvallen met enquête waaruit moet blijken wie het gelukkigst is, de wielrenner of de voetballer, de kleuter of de pensionado, de priester of de sekswerker, and all that jazz. De vraag is dan: wat schieten we er als samenleving mee op? Wie nog een beetje goed bij het hoofd is doet niet mee aan gesubsidieerde geluksvragen over onzin en valse tegenstellingen. Het privéleven is voor een zelfstandige even cruciaal als voor een bediende. De geluksindustrie draait op een academische motor. Zonde van het geld, mijn gedacht. Geluk wordt niet bepaald door de herkomst van arbeid (kantoor of scheepswerf) maar door de strik in het haar van een geliefde, bij thuiskomst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.