Vrijdag 19/07/2019

Het Kernkabinet

Filosoof Patrick Loobuyck: "Proffen concurreren elkaar dood aan de unief"

"Veertig jaar terug waren er te weinig incentives aan de unief", zegt Loobuyck. "Maar als je het te ver drijft, krijg je neven­effecten." Beeld Gamma-Rapho via Getty Images

De voorbije week luidden Vlaamse proffen de alarmbel. Ze gaan gebukt onder de hoge werk- en publicatie­druk. Een gevolg van het financierings­systeem. "Bijna geen enkele academicus voelt zich op zijn gemak", erkent filosoof Patrick Loobuyck.

Moraal­filosoof Patrick Loobuyck, verbonden aan de UGent en de UAntwerpen, zegt het wel vaker: “Ik werk voor twee universiteiten, en dat zijn twee concurrerende firma’s.” Dat heeft alles te maken met het finan­cierings­decreet dat aanstuurt op competitie. De koek die de overheid verdeelt, is telkens weer even groot: winst voor de ene unief betekent dus verlies voor de andere. Een universiteit die meer publicaties aflevert, krijgt toch minder centen als de andere instellingen het net iets beter doen.

Dat model “moet op de schop”, hekelde hoogleraar economie Koen Schoors in De Tijd. “Het geeft disruptieve ideeën te weinig kansen.” Eerder gaven academici Niel Hens en Lieve Van Hoof in De Standaard al aan dat het dringend anders moet, in een opinie­brief ondertekend door zeventig wetenschappers. “Want de genadeloze strijd om financiering ontmoedigt risico­vol onderzoek over de grenzen van weten­schaps­disciplines en universiteiten heen, terwijl net dat op termijn de grootste vruchten afwerpt.”

Psycholoog Wouter Duyck, die mee het debat aanvuurde, klaagt aan dat proffen gemiddeld 116 uur stoppen in een onderzoeks­aanvraag. Terwijl hun voorstel maar een slaagkans heeft van één op de vier. Verliezen jullie echt zoveel tijd?

Patrick Loobuyck: “Ik vrees van wel. Ook ik stel mij al langer de vraag of dat een zinvolle tijds­investe­ring is. Want er zijn zelfs selectierondes bij het Fonds voor Weten­schappelijk Onderzoek (FWO) waarbij de slaagkans kleiner is dan 10 procent. Maar we staan onder druk van een financierings­systeem dat maakt dat elke prof het aan zichzelf of aan de universiteit verplicht is om aan die rat­race mee te doen.”

U diende ook al aanvragen in: sommige kreeg u, andere niet. Hoe groot is de ontgoocheling als na alle hard labeur dat mailtje komt: ‘voorstel geweigerd’?

“Bij velen is die groot. Vaak is er in die ontgoocheling al een stuk cynisme binnengeslopen. ‘Allee, we gaan vandaag weer horen hoeveel tijd we verloren hebben.’

“Je moet weten, heel wat ingediende voorstellen zijn echt goed. Dat heb ik gemerkt toen ik zelf een tijdje in zo’n FWO-commissie zat. Dan moet je kiezen tussen projecten die op zich allemaal valabel zijn, gepromoot door academici met een mooi cv. Op basis waarvan moet je dan beslissen? Sommigen hebben al gezegd: doe het via loting. Daar valt misschien iets voor te zeggen, want we hebben geen rechtvaardig criterium. Alleen weet ik niet of dat het welbevinden van proffen ten goe­de komt: weten dat je ‘toevallig’ getrokken bent.”

Weegt het dan zo zwaar door op het welzijn van academici?

“Absoluut, daar is heel wat frustratie over. Dat hoor je in de koffiekamer en in de wandelgangen. We weten het ook uit onderzoek. Zo was er een tevredenheids­enquête van de Vlaamse universiteiten. De hoge werklast en het risico op burn-out kwamen als pijnpunten boven­drijven.

“Dat heeft niet alleen te maken met die strijd om onderzoeksgeld, maar ook met het gebrek aan investeringen in zelfstandig academisch personeel (ZAP’s), in proffen dus. Ik maak weleens het grapje dat die ‘Z’ niet langer voor ‘zelfstandig’ staat, wel voor ‘zichzelf terugverdienend’. Zo bestaan er op de universiteit grafieken van hoeveel elke prof opbrengt aan externe middelen. Iedereen voelt die druk: ‘Als ik niet genoeg in het laatje breng, ben ik niet goed bezig.’”

U spreekt zelfs van een ‘ongezonde druk’. Er is ‘geen mentale ruimte meer’. Hoezo?

“Je wordt als prof aangeworven en je voelt haast onmiddellijk dat wantrouwen. Ben je wel goed genoeg? Publiceer je wel voldoende? Kun je genoeg centen binnenhalen? Dat creëert een onaangename sfeer op het terrein. Velen hebben het gevoel dat ze zich voortdurend moeten bewijzen. Steek je tijd in je lesvoorbereiding, dan denk je: ‘Oei, ik doe te weinig aan onderzoek.’ Als je te veel leest, dan schrijf je te weinig. En als je ergens een niet-academische lezing geeft, dan denk je: ‘Moet ik nu geen publicatie maken voor een toptijdschrift?’ Maar dan twijfel je weer: ‘Wie leest die dingen eigenlijk? Mik ik niet beter op een boek in het Nederlands voor een breed publiek?’

“Eigenlijk zou je daar rustig keuzes over moeten kunnen maken, toch zeker aan een unief. Nu voelt bijna geen enkele academicus zich op zijn gemak.”

Patrick Loobuyck Beeld Karel Duerinckx

Niet elke prof kan toch evenveel geld binnen­halen, neem ik aan?

“Het is iets makkelijker als je in de farmaceutische sector zit dan als filosoof. (lachje) Een expert in Kant zal niet zoveel opbrengen. Maar goed, ik mag hopen dat een faculteit als Letteren en Wijs­begeerte niet in het leven is geroepen om op te brengen. We zijn toch, denk ik, maatschappelijk relevant. Maar daar zie je dus hoe dat model als een tang op een varken slaat.”

Onlangs stapte een Nederlandse prof, Eelco Runia, op bij de Rijks­universiteit Groningen, ‘omdat de unief aan markt­denken ten onder gaat’. De ratrace, de burn-outs, proffen die er de brui aan geven: schrikt dit het jonge talent niet af?

“Het aanbod is veel groter dan de vraag. Je ziet steeds meer mensen doctoreren. Ook dát is een probleem. Er is een incentive om zoveel mogelijk doctoraten af te leveren. Bij elk doctoraat kan de unief weer een vinkje zetten, want het brengt op volgens de logica van het financieringsdecreet. Dat creëert een pervers systeem: ze investeren blindelings in doctoraten. Maar wat betekent dat maatschappelijk? En wat betekent dat voor die jonge mensen? Niemand staat erbij stil wat ze nadien met al die doctoraats­studenten gaan doen. Som­mi­gen worden post­doc, velen niet.

“Ik zag zelfs al vacatures voor een postdoc met als belangrijkste criterium: hoeveel ga jij de komende jaren opbrengen voor onze faculteit? Dat is een totale verdraaiing van doel en middel.”

Het was hoogleraar Jan Dumolyn die in De Standaard de kat de bel aanbond: ‘Men gaat ervan uit dat doorgedreven concurrentie het zaligmakende middel is om kwaliteit in het onderzoek te stimuleren.’ Is een beetje concurrentie dan niet net goed?

“Ik pleit zeker niet voor een terugkeer naar de universiteit van veertig jaar geleden. Toen waren er te weinig incentives. Maar als je het te ver drijft, krijg je wel neveneffecten. Zo is het risicovol onderzoek onder druk komen te staan. Want als je onderzoek mislukt, kun je niet publiceren. Dus kiezen academici veel liever voor onderzoek dat heel snel resulteert in papers. Ook het ‘geduldig’ onderzoek komt in het verdomhoekje. Soms heb je, als historicus bijvoorbeeld, vijf jaar archiefwerk nodig. Niet be­paald het soort onderzoek dat dit systeem promoot.

“Bijkomend probleem is het ‘masseren’ van data, wat à la limite uitmondt in fraude. Het systeem dwingt de onderzoeker tot bepaalde handelingen die niet stroken met de deugden van goede wetenschap. Ook daar mogen we niet blind voor zijn.”

Hoe kun je die angels eruit halen, denkt u?

“Om te beginnen moet de basisfinanciering om­hoog. Er moet ook meer vertrouwen zijn. Geef een beginnende prof onderzoeksgeld om een doctoraatsstudent te begeleiden. Waarom moet die nog uren tijd steken in het uitschrijven van voorstellen, met het risico dat hij het niet haalt? Ga ervan uit dat mensen dat kunnen.

“Daarnaast zou je een beurtsysteem kunnen inlassen, in plaats van elk jaar met zijn allen elkaars vliegen af te vangen. Zo krijg je een roulatie, met veel grotere slaagkans. ‘Nu is het aan u. Haal je het, dan doe je de komende jaren niet meer mee.’ Nu concurreren we elkaar dood.”

Ziet u het nog goed komen?

“Sommige collega’s zijn daar pessimistischer over, maar ik zie de slinger al wat terugkeren. Ook de huidige rectoren zijn wel gevoelig voor die hele problematiek. Zij lijken me wel bereid om die handschoen samen op te nemen.

“Trouwens, de soep wordt niet altijd zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Kijk naar mij. Ik zal in die financieringsgrafiek niet bijster hoog scoren. Mijn laatste boek bracht de unief niks op. Maar ze erkennen wel wat ik doe.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden