Dinsdag 20/08/2019

De schaal van Mulders

Er blijkt een band te zijn tussen kleine fladderaars en Winston Churchill

Beeld Jean-Paul Mulders

Jean-Paul Mulders onderzoekt alles wat u bij de hersenkwabben kan grijpen.

Op straat lopen vrouwen in exotische gewaden en in de tuin fladdert een gehakkelde aurelia. Dat vind ik een prachtnaam voor een schub­vleugelige.

Vroeger zou je gewoon gezegd hebben: ‘Hé kijk, wat een mooie vlinder.’ Je zou er geen naam op hebben kunnen plakken als er toevallig geen vlinderkenner in de buurt was. Wat waren we dom, in de tijd voor het internet de geesten verlichtte en de zeden verweekte. Nu tik je ‘inheemse vlinders’ in de zoekrobot en klik je op ‘afbeeldingen’. In een vloek en een zucht heb je hem gevonden: de gehakkelde aurelia. Tussen de dagpauwoog, de kleine vos, de citroenvlinder, het landkaartje en het oranje zandoogje.

In de vorser zit ook een dichter verborgen; nergens komt wetenschap poëtischer uit de hoek dan bij het benoemen van fauna en flora. Liever dan een bundel van Leonard Nolens, neem ik De grote paddenstoelengids voor onderweg ter hand. Wie bedenkt nu zoiets als fraaie kaaszwam, grote kleefparasol en gerimpeld vingerhoedje?

Maar om bij de vlinders te blijven: binnenshuis bezit ik een kastje met een selectie van vijftien Europese fladderaars. Ik heb het van een vriend geërfd en vind het gruwelijk en prachtig. Niets is triester dan lichtvoetige wezens die meedogenloos op fluweel geprikt zijn. De wetenschappelijke namen staan er bijgeschreven, in handschrift dat doet denken aan oude musea. Nymphalis polychloros. Colyas crocea. Issoria lathonia. Het zijn toverspreuken waarmee je ischias en genitale jeuk kunt verdrijven, of zelfs liefdespijn als je ze in het donker voor je uit prevelt.

“Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt”, schreef Jeroen Brouwers. Er blijkt zelfs een band te zijn tussen kleine fladderaars en de grote staatsman Winston Churchill. Op het einde van zijn leven, herinnerde zich dochter Mary, zat Churchill op zonnige dagen vaak in een stoel die strategisch voor de weelderig bloeiende vlinderstruiken geplaatst was. “Hij keek dan met verrukt genot naar de levendige, trillende pracht van de vlinders – de admiraalsvlinders, de dagpauwogen en de vanessa’s – terwijl ze fladderden en zich te goed deden aan de paarse, nectarrijke bloemen. Hij had vlinders op Cuba gezien, ze in India verzameld, was erdoor gefascineerd in de gevangenis in Zuid-Afrika en had erover geschreven op zijn Oost-Afrikaanse reis en in Californië. De liefde voor vlinders zou, terwijl zijn geest langzaam weggeleed, als laatste van de vele liefhebberijen van zijn lange leven overblijven.” (uit Andrew Roberts’ Churchill, de biografie, Prometheus).

Die laatste zin vind ik ontroerend – te meer omdat vlinders het zinnebeeld zijn van de ziel en de onsterfelijkheid.

Veel van wat je over de natuur schrijft, heeft tegenwoordig helaas een weinig romantische afloop. Evenals de bijen, zijn we vlinders in spoedtempo aan het uitroeien. Een biodiversiteitsexpert van de VN verwoordt dat nogal plastisch: “Insecten denderen wereldwijd razendsnel het pad af richting extinctie.”

“Paniekzaaier!” “Doemdenker!” Vanuit kale struiken hoor ik ze het al roepen, de onbegrijpelijke lui die keihard hun goesting willen blijven doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden