Dinsdag 10/12/2019
Beeld Charlotte Dumortier

Zomerzielen

Elvis Presley, dames en heren en ook talrijke genderneutralen, is zonder twijfel de grootste rock-’n-rollzanger van de 20ste en de 21ste eeuw

In onze reeks Zomerzielen verklaren onze journalisten op prozaïsche wijze hun liefde aan de zomer.

Het was een uitstekend jaar voor wereldtentoonstellingen. Vandaar dat ze het zich in Brussel in dat mooie jaar 1958 geen twee keer moesten laten zeggen. De zogenoemde Expo stond toen maandenlang te blinken op de Heizelvlakte en ik was negen jaar oud en ik genoot ervan, bijna dagelijks. Mijn vader, die van huis uit Frans heette, bleek plotseling een Frans van het vrolijke type te zijn. Mijn moeder, Yvonne was haar naam – ze zou deze week 100 jaar geworden zijn als Magere Hein daar geen stokje voor gestoken had – bleek dat jaar ook omgebouwd van een modale Hausfrau tot iemand die graag de beentjes strekte op de tonen van Benny Goodman en zijn swingband.

Waar ik haar vroeger alleen eens van een glas tafelbier van Piedboeuf had zien nippen, bij de mosselen, bestelde ze nu zonder verpinken hier een Americano (een Spritz avant la lettre, met Campari en spuitwater uit een sifon), daar een Munich Blonde en wanneer ze zich eens helemaal liet gaan een Irish coffee. Later begreep ik dat mijn ouders toen voor de ­eerste keer een aanval van levenslust overkwam omdat ze beseften dat ze die grauwe oorlogsjaren eindelijk achter zich konden laten.

Zelf had ik in 1950 een heel ander plan: ik wilde absoluut leren fietsen, tenminste zonder die verdomde steunwielen achteraan links en rechts. En als beginnend astmalijder kon ik ook altijd wat goede lucht gebruiken. In Brussel was er geen fiets voorhanden en ook geen overaanbod aan goede lucht. Dus werd ik naar mijn doopmeter Helena gestuurd, een beeld van een vrouw. Ze was wegens huwelijkse beloften in de garnizoensstad Leopoldsburg aanbeland omdat haar echtgenoot van landsverdediging zijn beroep had gemaakt. Ik ging er graag naartoe, onder andere omdat ze uitstekende tomatensoep kon maken en ook wel omdat ze een beeld van een vrouw was. Profumo di donna in overvloed, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik wist toen nog niet wat incest was, maar ik was wel al vast van plan om met haar te trouwen.

Ze was half Sophia Loren, alsook half Natalie Wood, en in beginsel ook helemaal van mij.

Maar ze was vooral ook een hele lieve tante die op verzoek van haar broer, mijn vader, haar uiterste best zou doen om ervoor te zorgen dat ik na terugkomst uit vakantie zou kunnen fietsen. Ze moest zich daarvoor wel van haar schoenen met hoge hakken ontdoen, wat haar duidelijk zwaar viel. En ze riep dan ook de hulp in van wat oudere rakkers uit de militaire cité waar ze woonde: slungels van twaalf die mij aanspraken met de vervelende spotnaam ‘stadsmus’, maar me desondanks de kunst van de vélocipède bijbrachten. Ik was er snel mee weg, al zeg ik het zelf, en ik vond dat fietsen al meteen erg vervelend, vooral wanneer het bergop ging. Ik zag het me ook niet mijn hele leven doen en droomde ervan hoe ik, wanneer ik later beroemd zou zijn, weg zou duiken op de achterbank van een Londense Black Cab of een New Yorkse Yellow Taxi.

Die mannen die mij ‘stadsmus’ noemden, waren de kwaadsten nog niet. Ook al was een van hun hobby’s dan het opblazen van kikkers, een olympische discipline die mij niet echt kon opwinden. Ik kreeg het eigenlijk namelijk alleen maar warm of koud van mijn vroege liefde voor rock-’n-roll. En binnen dat veld woedde dan nog vooral een mateloze fascinatie voor Elvis Presley. Zijn stem, zijn heupen waren dingen die mijn adem deden overslaan, mijn bloed deden koken, mijn zweet deden stromen. Ik was vanaf dag 1 voor 100 procent een Elvis-fan, en dat ben ik vandaag nog altijd.

Ik had in die dagen geen geld voor Elvis-platen, maar ik hoorde die weleens op de kermis of de jukebox van het stamcafé van mijn vader. En ik droomde van de dag dat ik die platen écht zou bezitten, ik droomde ook van de dag dat ik Elvis op een podium live zou zien en horen, ik droomde ook van de dag dat ik in een bar in Memphis, Tennessee tegenover hem zou zitten om samen een familiefles bourbon te kraken.

De jongens in de straat van mijn tante hadden het ook voor ‘den Elvis’ en eentje van hen had zelfs vernomen dat de Koning van de Rock-’n-Roll op dat eigenste moment niet eens zover van Het Kamp (zo noemen ze Leopoldsburg in Leopoldsburg) logeerde en wel in de andere garnizoensstad Bad Nauheim, waar hij zich als voorbeeldig soldaat van zijn dienstplicht kweet. “Zouden we er eens naartoe rijden?”, opperde iemand, maar terwijl die gedachte geboren werd, stierf ze ook. Hoe zouden vier melkmuilen die samen beschikten over twee en een halve roestige fiets die afstand van 334 kilometer ooit kunnen overbruggen? “En zou Elvis wel thuis zijn?”, opperde ik, die ook toen al nooit zin had in een zinloze onderneming. Iemand anders had een beter idee. “We halen Elvis gewoon naar hier!”, sprak die. “En we vragen of hij wil optreden in de Cinema Casi­no, aan de Statiestraat.” “Goed idee”, gooide iemand in de groep. “Maar hoe gaan we dat aanpakken en wie gaat dat betalen?”

We lieten die pertinente vragen wat door onze vogelbreinen stormen en besloten dat de opkomst ongetwijfeld zo groot zou zijn dat de zaak zichzelf zou financieren. “Wat moeten we dan voor een entreekaartje vragen?”, was de volgende vraag, wetende dat men zich normaal toegang tot de Casino kon verschaffen voor een Belgische frank of twaalf. Bedrukte gezichten alom.

“We verdubbelen de prijs gewoon”, zei de ene, “Te duur”, opperde de andere. Gepeins.

Tot nog iemand de onsterfelijke woorden uitsprak: “As den Elvis oeit no ’t Kamp keumt, dan magget nog vèftig frang koste, dan gon ich nog”, wat er in mensentaal op neerkomt dat als de King ooit naar Leopoldsburg zou komen, een toegangskaartje van 50 francs nog niet overdreven zou zijn.

Bijna twintig jaar later stond ik weer op straat, in Vorst deze keer. En het had weer met Elvis te maken. Ik was vroeg in de ochtend een krant gaan kopen en daar had de verkoper mij maar meteen het droeve nieuws gemeld dat mijn held zich verstikt had in een boterham met apennootjes. Ik voelde dat mijn jeugd het bestierf diep in mijn nog redelijk ongerept dertigers­lichaam. “Before Elvis there was nothing”, had John Lennon toch dikwijls genoeg gezegd, maar nu kreeg ik last van een klam gevoel: ná Elvis ook niet.

Ik heb hem vanaf de eerste keer dat ik hem hoorde zingen au sérieux genomen en ik vind hem, geheel schromeloos, samen met Frank Sinatra de beste Amerikaanse interpreet van andermans songmateriaal. Wie daaraan twijfelt, moet maar eens op zoek gaan naar Elvis’ allereerste langspeelplaat die om het overzichtelijk te houden Elvis Presley heette. ‘Heartbreak Hotel’, ‘One-Sided Love Affair’, ‘Just Because’, ‘Trying to Get to You’, ‘Money Honey’, ‘Lawdy Miss Clawdy’: allemaal puur goud en dan laat ik nog vele tracks ongenoemd. Mocht u daarna écht gebeten raken door de man en zijn magie, delf dan ook maar eens diep in de nieuwe driedubbelaar A Boy From Tupelo, waarop alle ruwe diamanten staan die Presley tijdens de jaren 1953-1955 op vinyl liet vastleggen.

Er zit ook een prachtig boekje bij.

En tevens zijn hele zielsinhoud.

Postume generositeit van de hoogste orde, noemen wij dat.

Wat ons weer bij die zomeravond in 1958 brengt, en die zomerochtend in 1977 en nu bij deze zomerse zaterdag in 2017, alweer veertig jaar na die fatale ochtend in de krantenwinkel. Hoog tijd ook om eens een congres te houden – in Honolulu bijvoorbeeld, of beter nog in Leopoldsburg – dat zich ­bezighoudt met de vraag hoe het toch komt dat ook de jongste generaties nu wel doordrongen zijn van de wetenschap dat die Beatles toch wel ooit iets betekend hebben, maar dat leven & werk van Elvis Presley totaal onbekend zijn in het voorgeborchte van Tomorrowland, of hoogstens herleid tot het kluchtige cliché van de hansworst die uit een met rijnstenen bekleed kruippakje knalt.

Elvis Presley, dames en heren en ook talrijke genderneutralen, is zonder twijfel de grootste rock-’n-rollzanger van de 20ste eeuw en tot nog toe ook nog van de 21ste.

Als Elvis volgende dinsdag in het Koning Boudewijnstadion zou optreden, dan zeg ik u in alle vertrouwen reeds het volgende: “Dan magget nog vèftig euro koste, dan gon ich nog!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234