Dinsdag 15/10/2019

Opinie

Eerlijk: het lijkt me nog te vroeg voor hoop in Syrië

Johan Bonny Beeld Eric de Mildt

Johan Bonny is bisschop van Antwerpen.

In het voorjaar van 2008 was ik voor de laatste keer in Syrië. Het was lente, kort na Pasen. Het landschap en de velden lagen er mooi bij. Ik bezocht christelijke gemeenschappen en kerkleiders in Damascus en Aleppo, twee betoverende steden. Na tien jaar kwam ik er terug: van 3 tot 12 februari 2018. Alles is veranderd. Je komt van de dag in de nacht, van de lente in de winter. Collega-bisschoppen en vrienden vroegen me sinds vorig jaar om opnieuw op bezoek te komen, zodra het voldoende veilig was. Ik kon hun vraag niet langer laten liggen. Mijn reisroute liep over Beiroet, Damascus en Homs naar Aleppo, en vandaar terug naar Beiroet.

In Beiroet verbleef ik bij de jezuïeten van de Université Saint-Joseph. Ik bezocht er drie gezinnen van Syrische vluchtelingen die via een humanitaire corridor naar Europa konden vertrekken. Een gezin vertrok twee dagen later naar België. Voor ons land is deze humanitaire corridor opgezet in samenwerking tussen alle godsdiensten en levensbeschouwingen, en de federale regering. De katholieke kerk steunt het project via Sant’Egidio, de Belgische bisdommen en Caritas. Het is een veilige uitweg voor enkele van de meest kwetsbare of hopeloze vluchtelingen.

In Damascus verbleef ik in het centrum van de oude stad. In dezelfde dagen herbegon daar het geschut, meer bepaald vanuit en naar Oost-Ghouta, slechts enkele kilometers van Damascus verwijderd. Ik had een gesprek met de drie patriarchen van Damascus: patriarch Joseph Absi van de Grieks-katholieke kerk (in Beiroet), patriarch Ignatius Efrem II van de Syrisch-orthodoxe kerk en met patriarch Jean van de Grieks-orthodoxe kerk (broer van de ontvoerde bisschop Paul Yazigi). Ik sprak er ook met de apostolische nuntius in Syrië, kardinaal Mario Zenari. 

Bij allen hoorde ik dezelfde ontreddering en dezelfde vraag: wij weten niet welke toekomst de christenen hier te wachten staat, maar help ons toch om hier te kunnen blijven. De grootste bedreiging voor de toekomst van de christenen in Syrië – zoals in heel het Midden-Oosten  is niet de oorlogsschade maar de systematische uittocht van zoveel christelijke families.

Onschuldigen

In Homs zag ik voor het eerst in mijn leven een verwoeste stad. Beelden die doen denken aan Dresden en Hiroshima. De verschrikking van de oorlog. Ik ging op zoek naar het graf van de vermoorde Nederlandse jezuïet Frans van der Lugt. Een terrorist schoot hem neer omdat hij zijn klooster en de mensen eromheen niet wilde verlaten. Hij werd meteen begraven in de binnentuin van het klooster. Hij is slechts één van duizenden onschuldigen die in Syrië het leven lieten, onschuldigen van alle godsdiensten, van alle leeftijden, van alle bevolkingsgroepen. Dat de onschuldigen het steeds bekopen, grijpt me naar het hart.

De meeste tijd bracht ik door in Aleppo. Ook daar waren in de verte nog explosies te horen. Ik verbleef er bij Mgr. Antoine Audo, Chaldees-katholieke bisschop van Aleppo. Ik ontmoette er diverse bisschoppen, onder wie Mgr. Georges Abou-Khazen, Latijns-katholieke bisschop van Aleppo en Mgr. Joseph Tobji, maronitische bisschop van Aleppo. De andere bisschoppen waren afwezig: op bedelreis ergens in de wereld op zoek naar solidariteit en hulp. 

 Ik bezocht vier religieuze gemeenschappen: een gemeenschap van zusters karmelietessen, die ondanks alle geweld in hun slotklooster bleven wonen, een gemeenschap van salesianen, die zich toeleggen op jongerenpastoraal, een gemeenschap van franciscanen, die een nieuw centrum oprichten voor de begeleiding van jongeren met een oorlogstrauma, en de zusters van het Hôpital Saint-Louis, het enige katholieke ziekenhuis in Aleppo. Allen spraken ze over hun verlangen om te kunnen bijdragen aan de genezing van het menselijke leed dat de oorlog heeft nagelaten.

Ik bracht twee avonden door met christelijke jongeren. Hoe gaan deze jongeren om met het oorlogsleed en met hun dromen? Legerdienst doen of vluchten? Weggaan met je verloofde of in het land blijven? Waar en met wie je beroep uitoefenen? Het is een levensgroot dilemma. Niemand kan hun het goede antwoord voorzeggen. Toch trof me hun optimisme en hun innerlijke weerbaarheid. De oorlog heeft hen gelouterd, maar niet gebroken!

De verantwoordelijken van Caritas in Syrië brachten me naar diverse hulpposten die ze hebben ingericht voor onder andere de ondersteuning van (alleenstaande) ouderen, de naschoolse opvang en begeleiding van kinderen, de begeleiding en ondersteuning van universiteitsstudenten, de medische opvang en begeleiding van personen in nood, de ondersteuning van huur- en renovatiekosten, de psychologische begeleiding van getraumatiseerde kinderen en de uitdeling van voedselpakketten. In het vernietigde oostelijke deel van Aleppo (Ard Hamrah) bezocht ik een hulppost van Caritas die voedsel en poetsgerief bezorgt aan voornamelijk moeders met kinderen die naar de buurt terugkeren. 

Voor al deze hulpposten doet Caritas een beroep op voornamelijk jonge medewerkers van ter plaatse. Hun professionaliteit en hun doorzettingskracht raakten me diep. Hun kleine ploegen zijn een zeldzaam teken van hoop in deze woestijn van menselijke en materiële ellende. Dankzij financiële steun uit onder meer België kunnen ze hun werking ter plaatse bekostigen.

Woestijn van menselijke en materiële ellende

In Syrië zijn christenen vooral actief in vrije beroepen. Veel christelijke jongeren behalen een diploma, spreken diverse talen en onderhouden een netwerk van internationale contacten. Zij behoren tot de beroepsgroepen en professionele kaders die steden als Aleppo het meest nodig zullen hebben. Na de oorlog wordt dit het grootste drama: dat juist de meest noodzakelijke personen en competenties – zowel onder christenen als onder moslims – het land verlaten hebben. 

 Deze vraag hoorde ik als een refrein aan ons adres terugkeren: help ons om de nodige personen en competenties hier te houden en hier aan het werk te zetten. Ook christenen hebben het recht om niet te moeten emigreren om in veiligheid te kunnen leven en werken. Zullen Syrische christenen kunnen meewerken aan de heropbouw van hun land? Hoe kunnen wij daartoe bijdragen? Deze vraag ligt bij mij boven, na mijn bezoek aan Syrië.

Ten slotte moet mij nog iets van het hart: mijn frustratie over de internationale gemeenschap en over het dubbelzinnige spel van zovele betrokken landen en regeringen. Het kleine volk moet het vuile werk opknappen en zal uiteindelijk alle rekeningen betalen, terwijl een aantal grootmachten de touwtjes in handen houden: vanuit de lucht, met moderne communicatiemiddelen, met grootschalige maar gecamoufleerde wapenleveringen, met inlichtingendiensten en geheime agenten, met fake news en valse politieke verklaringen, met ongekende geldstromen, en vooral: met hulpeloze pionnen op het terrein. ‘Niets is wat het lijkt’: dat is zeker waar in en nog meer rondom Syrië. Eerlijk: het lijkt me nog te vroeg voor hoop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234