Vrijdag 20/09/2019
Mark Elchardus. Beeld rv

Column

Een thuisland zit in merg en been. Als een wat ontwortelde Belg bleef ik daar lang ongevoelig voor

Mark Elchardus is emeritus professor sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en opiniemaker bij De Morgen.

Met haast elke zomerkrant arriveerden flarden debat over de canon. Vijfenveertig jaar geleden hoorde ik dat begrip voor het eerst. Mijn Amerikaanse universiteit speelde toen met het idee alle studenten, ongeacht hun verdere studiekeuze, tijdens hun eerste jaar een gezamenlijk programma te laten volgen. Dat zou bestaan uit de grondige lectuur van welgeteld acht boeken die de basis legden voor de westerse beschaving. Het leidde tot leerrijke discussies: welke boeken en hoe geraakt men het eens over hun impact?

Onder sociologen landden we al snel op twee kandidaten, De protestantse ethiek van Max Weber en Het wezen van de religie van Emile Durkheim. Maar de competitie was bikkelhard: het verhaal van Gilgamesh, Homeros, Augustinus, Machiavelli, Galileo, Hegel, Marx, Darwin, Tocqueville… Op een bepaald moment veranderde de discussie van aard. Niet de bijdrage van het boek aan ons denken en voelen, maar de genitaliën en de huidskleur van de auteur dienden volgens sommigen doorslaggevend te zijn. Te veel boeken geschreven met bleke piemel, onvoldoende met donkere vulva.

Een canon, zo leerde ik toen, is een gevechtssport. Het is weliswaar bedoeld om mensen intellectueel en gevoelsmatig op te nemen in een beschaving of natie, maar wie het verschil tussen beschavingen en naties verwerpelijk acht, lust geen canon. Hen lijkt het een middel tot uitsluiting. Tom Lanoye omschreef het idee van een Vlaamse canon daarom als fascistoïde. Wat minder erg is dan het lijkt, want voor hem is een nette plooi in de zondagse broek eveneens fascistoïde.

Oneigen eigenheid

Over hoe we kinderen en jongeren opnemen in de samenleving, geraken we het nog enigszins eens. Hoewel de eindtermen en de aanpak van het onderwijs al voor heel wat discussie zorgen. Als het om nieuwkomers of etnische minderheden gaat, vallen venijnige woorden. Westerse eigenheid wordt ook steeds vaker racistisch benaderd, als een ‘wit, westers narratief’ waar we snel van af moeten.

Zo eigen is die eigenheid nochtans niet. De Amerikaanse historicus en staatsman Bancroft omschreef de Amerikaanse identiteit op een manier die ook voor Europa geldt: “De oorsprong van onze taal ligt in India; onze religie komt van Palestina; de hymnen die we in onze kerken zingen weerklonken eerst in Italië, in de Arabische woestijn, aan de oevers van de Eufraat. Onze kunst komt uit Griekenland, ons recht uit Rome.” Uit die en andere invloeden is heel traag een westerse eigenheid gegroeid met daarbinnen ruimte voor onder meer een Vlaamse. Daarom verschillen we meer van China of van Saudi-Arabië dan van Amerika. Gezien die bonte oorsprong hebben we niet de minste reden om ons van de wereld af te sluiten, des te meer om alle medeburgers een reële kans te geven in onze eigenheid te delen.

Dat leidt onvermijdelijk tot cultuurstrijd. Er is immers geen compromis mogelijk tussen het erkennen en het ontkennen van een in ons verleden verankerde eigenheid. Redelijke discussie begint pas bij de vraag hoe we deze definiëren. Welke waarden moeten we delen? En gaat het wel over waarden? In Where We Are (vertaald als Waar we staan) prijst de aartsconservatieve filosoof Roger Scruton de voormalige Labour-premier Gordon Brown omdat deze eindelijk durfde te praten over ‘Britse waarden’. Hij vindt de benadering van Brown echter verkeerd omdat deze Britishness definieert in termen van waarden, in plaats van omgekeerd. Volgens Scruton dienen waarden gedefinieerd op basis van de essentie van het Brits-zijn. Het lijkt me nochtans veel gemakkelijker mensen op te nemen als we zeggen welke kernwaarden we moeten delen, dan wanneer we hen vragen de essentie van het Belgisch of Vlaams-zijn te voelen.

In merg en been

Toch heeft Scruton een punt. Een thuisland zit in merg en been. Als een wat ontwortelde Belg bleef ik daar lang ongevoelig voor. Dat veranderde op de mooie begraafplaats van Rabat, die van de Medina zacht glooiend afdaalt naar de oceaan. Telkens als ik in Rabat ben, zoek ik rust op die serene plek. Zo stuitte ik op een graf met een Nederlandstalig opschrift: ‘Aan onze dierbare vader’. De man had zijn stoffelijk overschot vanuit Borgerhout laten overbrengen. 

Ik ben toen op zoek gegaan naar onderzoek over dat verschijnsel. Een Franstalige socioloog had er een artikel over gepubliceerd. De mensen die hij interviewde, wilden niet graag in onze donkere, vochtige, zware aarde worden begraven; verkozen de drogere zandgrond van hun thuisland. Nostos noemden de Grieken dat, de reis naar thuis, naar de grond, de landschappen, de gebouwen waarin men zijn bestemming voelt. Het gemis daarvan noemen we nostalgie. De Engelsman die denkt aan de met mos begroeide grafstenen rond de dorpskerk; de Japanner die in de vorm van een rots de ziel van zijn land herkent… de “weiden als wiegende zeeën, die groenen langs stroom en rivier”.

Uiteraard kan men dat gevoel niet opleggen als een voorwaarde van aanpassing. Wie het belachelijk maakt, getuigt echter niet van wereldwijsheid, maar van toondoofheid en kleinzieligheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234