Maandag 13/07/2020

OpinieKoen Lemmens

Een samenleving die geen uitblinkers durft te prijzen, is zuur en kleingeestig

Een standbeeld van pater Damiaan in Tremelo. ‘Jozef De Veuster zal wellicht ook minder fraaie kanten gehad hebben. Maar was zijn uitzonderlijke zelfopoffering niet voldoende om lof te verdienen?’Beeld Yann Bertrand

Koen Lemmens is hoofddocent publiek recht aan de KU Leuven. 

Nu wereldwijd standbeelden van omstreden personages van hun sokkel worden gehaald of met verf worden beklad, rijst de vraag hoe we als samenleving moeten omspringen met de sporen van eerbetoon uit het verleden. Vooral in die gevallen waarin het duidelijk geworden is dat de vereerde persoon naar de maatstaven van vandaag helemaal geen lof verdient. Ik laat aan moraalfilosofen en historici graag de taak om een antwoord te formuleren.

In de Twitter-bubbel zag ik alvast één reactie die ik bizar en betreurenswaardig vind. Zo vroeg de taalkundige Marc Van Oostendorp zich af waarom we mensen eigenlijk op een sokkel hijsen. De logica achter een dergelijk statement is inderdaad onweerlegbaar: als we geen standbeelden plaatsen, kan er nadien ook geen heisa over ontstaan. Maar ik vind het eigenlijk getuigen van een triestig mensbeeld. Wie die logica doortrekt, kan natuurlijk net zo goed zeggen dat het beter is van niemand te vertrouwen, dan kan je later immers nooit bedrogen worden. Wie nooit huwt, moet niet scheiden en wie niet verliefd wordt, zal nooit liefdesverdriet kennen. Extreem gezegd: het voordeel van niet leven, is dat je niet sterft.

Koen Lemmens. Beeld Aurélie Geurts

Uit het feit dat we in het verleden verkeerde mensen op een sokkel gehesen hebben, volgt toch niet dat het dan meteen maar beter is om dat nooit nog te doen? Dat autocraten zichzelf maar al te vaak geprezen hebben met standbeelden klopt. Dat ze met sculpturen propaganda voerden, is juist. Dat vleiers van kleptocraten er hun voordeel mee wilden doen, allemaal waar. Maar het zijn geen argumenten tegen standbeelden als zodanig.

Tijdsgeest

Je kan natuurlijk zeggen dat de keuzes voor de personen die geëerd worden een selectieve kijk op de geschiedenis verraden. Dat is correct, maar in zijn algemeenheid is het een slap argument. Elke maatschappelijke keuze wordt getekend door een zekere tijdsgeest. Wellicht oordeelt men over 100 jaar dat onze kritische bevraging van standbeelden vandaag ook selectief was. Elke keuze is, per definitie, selectief. Het is de selectie die je dus moet bekritiseren, niet de selectiviteit.

Dan komt het argument dat iedereen zijn schaduwkanten heeft. Dat lijkt me alweer een dooddoener van formaat. Maar wat is dan de conclusie: dat we niemand meer kunnen prijzen? Ik ben opgegroeid in een dorp met een Damiaan-cultus. Jozef De Veuster zal wellicht ook minder fraaie kanten gehad hebben. Maar was zijn uitzonderlijke zelfopoffering niet voldoende om lof te verdienen? Jean de Selys Longchamps zette een onwaarschijnlijke luchtaanval in op het kantoor van de Gestapo aan de Louizalaan. Zijn buste staat er meer dan verdiend. In Ukkel eert men dan weer Edith Cavell. Wie graaft, zal altijd wel negatieve aspecten vinden van elke held en heilige. Maar moet perfectie dan de maat der dingen worden?

Koester bewondering

Ik zou vurig willen pleiten om de gave van de bewondering te blijven koesteren. En uiteraard zullen sommige keuzes achteraf ongelukkig of verkeerd zijn. Dan kunnen wij, of de generaties na ons, nog altijd de beelden weghalen, de erkenning kaderen, de context schetsen. Sommige helden vallen, onvermijdelijk. Maar ook dat is een maatschappelijk leerrijk proces.

Het gaat niet om privileges toekennen, het gaat niet om distinctiedrift, niet om het creëren van een clubje van bevoorrechte burgers. Een egalitaire samenleving impliceert dat iedereen gelijke kansen moet krijgen om te kunnen uitblinken. Een samenleving die niet meer in staat is om wie dan daadwerkelijk uitblinkt te prijzen, is wat mij betreft zuur en kleingeestig en een karikatuur van een gelijkheid. Of die erkenning nu via bustes en beelden, naamgeving van straten, pleinen of scholen, of via eretekens en prijzen gaat, is bijzaak. Maar een samenleving moet in staat zijn om te erkennen dat sommige van haar leden uitblonken door moed, opoffering, talent, inspanning, inzet voor de ander, genialiteit. Er zit juist veel grootsheid in de gave om te kunnen erkennen dat anderen uitzonderlijke prestaties hebben verricht. Men lacht vaak met de renner Frans Verbeeck, die na de Ronde van Vlaanderen van 1975, aan de tv-commentator De Bruyne verzuchtte: “Fred, jong, hij rijdt 5 kilometer te rap voor ons.” Hij, dat was de winnaar, Eddy Merckx. Verbeeck richtte daarmee een verbaal standbeeld op voor Merckx en zal altijd herinnerd worden voor de grootmenselijkheid van zijn erkenning, eerder dan voor zijn tweede plaats. Zo hoort het.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234