Donderdag 17/06/2021

OpinieConnie Palmen

Een feit is niks, totdat het door een schrijver wordt uitgehuwelijkt aan een ander feit

null Beeld Dries Luyten
Beeld Dries Luyten

Connie Palmen is schrijver en vriend van wijlen Hugo Claus. Hier leest u een ingekorte versie van de Clauslezing die zij gisteren uitsprak.

Een aantal weken geleden las ik de geautoriseerde biografie van Philip Roth, geschreven door de inmiddels verguisde, van verkrachting beschuldigde Blake Bailey. De jarenlange intensieve samenwerking tussen Roth en Bailey heeft er toe geleid dat de levensbeschrijving van de Amerikaanse schrijver een buitengewoon intiem karakter heeft, alsof je in het bosrijke Connecticut bent beland, en je bij de schrijver thuis stiekem het gesprek kunt afluisteren dat zich tussen hem en zijn uitverkoren biograaf ontspint. Bekend om zijn vertelkunst, belezenheid en intelligentie, om zijn hilarische grappen en imitatietalent, om zijn vermogen zich de kleinste details te herinneren, en om zijn vlijmscherpe analyses en karakteriseringen van vrienden en vijanden die tijdens zijn lange leven zijn pad kruisten, kom je er achter welke mannen en vrouwen uit het echte leven van Philip Roth de inspiratiebron vormden voor de verschillende personages in zijn romans.

Het lezen van de biografie bezorgt je zo nu en dan de opwindende sensatie een luistervink te zijn die een gesprek opvangt dat eigenlijk vertrouwelijk moest blijven. De vage schaamte dat zo nu en dan de grenzen van het betamelijke overschreden worden en de lezer daardoor ongewild wordt betrokken in het delen van geheimen, komt tegemoet aan ons heimelijke verlangen om van de kunst – en al helemaal van autobiografisch getinte romans – te willen weten wie wie is, welke scènes echt hebben plaatsgevonden, wat er waar of onwaar is van alles wat je over de schrijver en het boek in de rioolpers las of in de wandelgangen hoorde. Waar de literatuurwetenschapper waarschuwt voor het zogeheten biografische misverstand – de volledige identificatie van de schrijver met de verteller – en voor het leggen van een een-op-eenrelatie tussen de werkelijkheid en het werk van de auteur, treedt de biograaf de academische wetten met voeten, schendt de verboden en geboden van de interpretatie, en komt tegemoet aan onze honger naar het echt gebeurde, naar de werkelijkheid, naar de feiten. De biografie is gelegaliseerde roddel, daarom houden we er zo van.

Toen ik Ischa, een liefhebber van biografieën, ooit vroeg naar het verschil tussen een wetenschappelijk historicus en de biograaf, zei hij zonder een seconde na te denken: ‘Libido, Con.’

En als iemand dit antwoord begreep, was het Hugo Claus.

Hij wees me in 1996 op de autobiografie van Claire Bloom, de Engelse actrice en ex-vrouw van Philip Roth. Gnuivend vertelde hij dat Claire Bloom in haar memoires, Leaving the Doll’s House (1996) een onthutsend portret schildert van de schrijver met wie ze na een jarenlange verhouding uiteindelijk was getrouwd. Met zijn geheugen voor trivia en onnutte kennis, herinnerde Claus zich uit het boek dat Roth haar na de scheiding de rekening presenteerde voor alle uren die hij aan haar had besteed door scenario’s voor te lezen en te beoordelen, toneelteksten te overhoren, en eindeloos de rollen voor film en theater met haar te repeteren. Hij vroeg honderdvijftig dollar per uur voor de vijf -of zeshonderd uur die hij met haar had gerepeteerd, zei Hugo met een blik waarin zowel verbazing lag voor de gotspe van Roth, maar ook bewonderende instemming, alsof hij de buitensporige eis volledig onderschreef. Zonder het met zoveel woorden toe te geven had het lezen van deze passage bij hem ongetwijfeld herinneringen opgerakeld aan de tijd dat hij zich – uren, dagen, jaren – als een moderne Pygmalion vol bezieling wijdde aan de opleiding en vervolmaking van de vrouwen in zijn vroegere leven, net als Claire Bloom stuk voor stuk actrices, hoe hij hen wekenlang hielp hun teksten vanbuiten te leren, schaafde aan hun dictie en techniek, hun leven en werk regisseerde, hoe hij vol liefde Elly Overzier, Marja Habraken, Kitty Courbois en Sylvia Kristel vervolmaakte. Er moet hem even een aantrekkelijk bedrag voor ogen hebben gestaan. Een met negen nullen.

Als iets in de taal een claustrum is, een cel waarin oubollige levenswijsheden gevangen zijn gezet, is het het motto. Voor de speelse schrijver zijn het goudmijnen, met vrolijke spot wrikt hij aan de spijlen waarachter de taal is opgesloten, inmiddels vastgeroest in de ketenen van clichés en gezegden. Nomen est omen, dus had Claus, die vanaf dat hij achttien maanden oud was tot zijn elfde in een claustrum was ondergebracht, een claustrofobische huiver voor elke vorm van gevangenschap. Hij vreesde en vermeed het motto, maar hield er tegelijkertijd ook van. Dankzij een diepgewortelde liefde voor de tegenspraak, de leugen en de inconsequentie, voerde hij er derhalve niet één, maar twee in zijn vaandel: het anarchistische Ni dieu, ni maître en het wraakzuchtige Nemo me impune lacessit, niemand kwetst mij ongestraft.

Wij schrijvers zijn zwijgers. Als we konden spreken, waren we geen schrijver geworden, als wij in het echte leven overtuigend voor onszelf konden opkomen, ons konden verdedigen tegen wat we als onrecht ervaren, hadden we de pen, dit wapen van de onmacht, niet opgepakt.

Zo begon Philip Roth na het lezen van smadelijke beschuldigingen in de memoires van zijn ex, aan een systematische weerlegging van de daarin beschreven situaties en insinuaties. Binnen een jaar had hij een vuistdikke zelfverdediging klaar die hij Notes for My Biographer doopte. Het schrijven moest de lijdzame machteloosheid van de kwetsure helpen te verdragen.

Hugo Claus had zijn eigen Notes for my Biographer. Zo hield hij tijdens zijn stormachtige verhouding met Kitty Courbois een Klachtenboek bij, waarin hij zijn grieven neerkrabbelde, en vanaf 1975, hield hij over de grillige verhouding met Sylvia Kristel een dagboek bij en maakte aantekeningen over wat hij in de werkelijkheid zo onverdraaglijk vond: de slaafsheid die door de liefde wordt veroorzaakt. Hij noemde het Nota’s voor een korte roman over jaloezie, een literair werk dat uiteindelijk De Beul moest gaan heten. Een hele roman als verweer tegen de onmacht is de inzet van groot geschut. Als Kitty Courbois tijdens hun verhouding een keer vreemdgaat en Hugo er in de artiestenwereld van gretig doorvertelde geruchten, razendsnel achterkomt, heeft in de woorden van Kitty Courbois het volgende telefoongesprek met een woedende Claus plaats:

“Heb je er al over geschreven”, zei ik.

“Ja,” zei hij, “ ik heb een novelle klaar.”

“En hoe gaat die heten?”

Het verraad”, zegt hij.

“Toen heb ik in een deuk gelegen.”

Dat ligt ze niet meer als het uiteindelijk geen novelle wordt, maar een ferme roman met de titel Het jaar van de kreeft (1972) en als haar getergde geliefde het verschijnen van deze roman aankondigt door een interview te geven aan de beroemdste roddeljournalist van Nederland, Henk van der Meyden, voor zijn rubriek Privé, en het paginagroot, met foto’s en al, de door intellectueel Nederland verguisde De Telegraaf opsiert. ‘Dichter-schrijver schreef boek over zijn verhouding met Kitty Courbois’ is de kop. (10 oktober 1972)

Dit is wat wij schrijvers, schilders, filmers, toneelspelers en grappenmakers doen, we observeren en slaan op wat we zien en horen, we maken de werkelijkheid buit, vergaren wat we mooi vinden, karakteristiek, een klein gebaar dat een wereld van pijn en eenzaamheid uitdrukt, of een achteloze opmerking, dom, onnozel en misbegrepen, om een godvergeten huwelijk samen te vatten, we leven ons leven, graaien hier wat, stelen daar wat, we zien altijd de fictie in de werkelijkheid aan het werk. Zo komt het uiteindelijk bij de lezer en de theaterbezoeker terecht, in de duisternis van een bioscoopzaal of oog in oog met een portret in een museum of galerie, de tentoongestelde intimiteit van de maker of speler, in de kunst geconserveerd, vastgelegd en van betekenis voorzien in de context waarin de maker het gegeven verbindt met andere gegevens. Het is een vruchtbare kruisbestuiving van gebeurtenissen en anekdotes, van personen en personages. Werkelijkheid wordt werk, feit wordt fictie, passie wordt poëzie, liefde wordt literatuur. Het absurde en betekenisloze bestaan krijgt door de kunst betekenis. Een feit is niks, totdat het door een schrijver wordt uitgehuwelijkt aan een ander feit, en in deze nieuwe verbintenis opeens in staat blijkt om een wereld te verhelderen. De biografieën, memoires en de persoonlijke notities leggen de weg terug af, van fictie naar feit, van werk naar werkelijkheid. Huwelijken tussen feiten worden verbroken, het werk ontmanteld, de poëzie van het persoonlijke wordt herschreven in alledaags proza.

Meer dan welke andere schrijver in het Nederlands taalgebied had Hugo Claus een antenne voor de aantrekkingskracht van de boulevardpers-achtige inkijk in privélevens, voor het scandaleuze en indecente van het openbaren van intieme feiten, voor de sensatie alles te weten te komen over de groezelige schaduwkanten van beroemdheden en sterren, voor de stank van het riool van de glamourwereld. Zijn blik op de werkelijkheid was gekleurd door een katholieke opvoeding, door een uitgebreide kennis van de mythen als de heidense oorsprong van religies, en de werken van Shakespeare. De wereld is een schouwtoneel. Claus ironiseert het heldhaftige, trivialiseert het plechtstatige, bespot de goden, steekt de draak met hun macht en demystificeert Oedipus en andere beroemde zonen door er klungelige mislukkelingen van te maken die er niet in slagen de vader van de troon te stoten.

Ik denk dat hij het met me eens zou zijn als ik zeg dat het theater en de televisie, de film, en de showbizz, internetpodia als Instagram en YouTube, de hedendaagse leveranciers zijn van goden en afgoden, dat de sterren en idolen de iconen zijn van onze tijd, en dat het verlangen naar glamour het streven naar heiligheid heeft vervangen. Voor een man die de werkelijkheid liever zag in een regie van Visconti, en voor wie de krant louter verzinsels bevatte, was de grens tussen feit en fictie allang vervaagd, en waar dat nog niet het geval was, zorgde hij er zelf voor.

© 2021 Connie Palmen

Bekijk de volledige Hugo Clauslezing met Connie Palmen en Erwin Mortier op het digitale kanaal van Behoud de Begeerte. begeerte.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234