Maandag 22/07/2019

Opinie

Doelgroepen op de arbeidsmarkt: Vlaanderen verspilt, de zwakste betaalt

Beeld ANP

Frank Vandenbroucke is hoogleraar aan de KU Leuven. "Vlaanderen is verantwoordelijk voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Maar het lijkt erop dat ze die verantwoordelijkheid met frisse tegenzin ontvangen heeft", schrijft hij.

De Vlaamse Regering heeft beslist hoe ze "doelgroepen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt" zal steunen. Het klinkt goed: "Om de efficiëntie en effectiviteit van ons doelgroepenbeleid te verhogen, voeren we een drastische vereenvoudiging door. We beperken het aantal maatregelen tot drie doelgroepen, met name jongeren, 55-plussers en personen met een arbeidshandicap."

In feite kiest men voor minder effectiviteit en minder efficiëntie, en richt men zich niet op de doelgroepen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt.

Beeld PHOTO_NEWS

Regionalisering voor maatwerk

Tien jaar geleden pleitte ik voor regionalisering van het doelgroepenbeleid met het volgende voorbeeld: Wallonië en Brussel kampen met jeugdwerkloosheid, Vlaanderen heeft vooral ouderenwerkloosheid. Dat maakt een goed compromis op het federale vlak moeilijk; laat de gewesten dus doelgroepenbeleid ontwikkelen op hun eigen maat. Dat argument overtuigde en de zesde staatshervorming heeft er zo over beslist.

Nu Vlaanderen zelf beleid kan voeren, is de paradoxale vaststelling dat het gewicht van maatregelen voor jongeren toeneemt, binnen een krimpend budget voor doelgroepen. Als woorden nog inhoud hebben, betekent effectiviteit: de mate waarin beleid effect heeft. Méér effect met minder euro's is onwaarschijnlijk, tenzij de efficiëntie (het 'effect per euro') sterk zou stijgen. Maar men tast ook de efficiëntie van het beleid aan.

De loonkost wordt verminderd bij de aanwerving van laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren tot 24 jaar, op voorwaarde dat ze een laag loon hebben. Hebben deze jongeren in Vlaanderen een grotere afstand tot de arbeidsmarkt dan andere groepen? De werkzaamheid van jongeren tussen 15 en 24 jaar, zonder diegenen die nog studeren, lag in Vlaanderen in 2012 op 77,3 procent. Dat is veel hoger dan de werkzaamheid van mensen tussen 50 en 64 jaar.

De geringe werkzaamheid van laaggeschoolde jongeren (55%) is een probleem. Maar als we dat een probleem vinden, dan is de lage werkzaamheidsgraad van de hele groep die ouder is dan 50 (54,6%, midden- en hooggeschoolden inbegrepen) even problematisch. De regering heeft het zo niet begrepen: het beleid voor ouderen wordt selectiever, het beleid voor jongeren minder selectief.

Alhoewel middengeschoolde jongeren qua werkzaamheid haast niet verschillen van hooggeschoolde jongeren (82,1% en 84,7%), worden de middengeschoolden mee in de boot genomen met laaggeschoolden. Financiële steun voor middengeschoolde jongeren heeft een doodgewicht: het kost geld, maar een gunstig selectief effect is onwaarschijnlijk. Wie inzake loonkost iets bijzonders wil doen voor jongeren, moet mikken op laaggeschoolden.

Een maatregel voor laaggeschoolde jongeren zou perfect passen in een bredere maatregel voor laaggeschoolden. Maar dat wil de regering net niet; en ze schrapt ook de bestaande loonkostvermindering voor langdurig werklozen. Mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt die ouder zijn dan 25 en jonger dan 54 worden zo in de kou gezet. Men zegt nu dat de afschaffing van het doelgroepenbeleid voor langdurig werklozen zal opgevangen worden door 'kwalitatief beleid'. Wat dit betekent, blijft duister.

Om te vereenvoudigen had men kunnen zeggen: we doen iets voor laaggeschoolden (van alle leeftijden, inbegrepen jongeren) en we doen iets voor alle ouderen (van alle scholingsniveaus).

Waarom maakt men deze evidente keuze niet? Ik zie twee verklaringen. De eerste is dat het sympathiek klinkt om iets te doen 'voor jongeren', ook al is het inefficiënt als de jongerengroep zo breed gedefinieerd is. De tweede verklaring is dat men geen selectiviteit ten aanzien van kwetsbare groepen nastreeft, maar met een brede maatregel bedrijven die aanwerven (aan een eerder laag loon) wil steunen; dan gaat het eigenlijk om competitiviteit.

Complexiteit in aantocht

Deze aanpak creëert een probleem. Wie een jongere aanwerft met een loon van 2.300 euro krijgt de korting; wie een jongere aanwerft met een loon van 2.301 euro krijgt niets. Eén euro meer loon verhoogt de loonkost voor de werkgever met een fiks bedrag, tot 383 euro meer per maand. Zo ontstaat een prikkel om jongeren aan te werven met een loon beneden 2.300 euro, ook al zou hun productiviteit een hoger loon verantwoorden; vermoedelijk zal een groeiende groep jongeren binnenkort net iets minder dan 2.300 euro verdienen.

Ten tweede ontstaat een 'promotie- en opslagval': gedurende drie jaar kunnen jongeren met een loon in de buurt van 2.300 euro geen opslag krijgen, of het voordeel is verloren. Men kan dit pervers effect verzachten door een geleidelijke afbouw van het voordeel in functie van de loonhoogte, in plaats van een abrupt alles-of-niets systeem: maar dan wordt de maatregel complexer en klopt het budgettaire plaatje niet meer.

De regering verkoopt niet-selectief beleid dat de loonkost van veel bedrijven een heel klein beetje kan drukken als selectief beleid. De loonkost verminderen is niet oneerbaar; de staatshervorming gaat er van uit dat dit een federale opdracht is. De gewesten zijn verantwoordelijkheid voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Het lijkt erop dat de Vlaamse regering die verantwoordelijkheid met frisse tegenzin ontvangen heeft. De rekening wordt betaald door mensen die echt kwetsbaar zijn op onze arbeidsmarkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden