Zaterdag 06/06/2020
De Beenhouwersstraat in Brussel. De restauranthouders zagen de afgelopen maanden hun omzet met 40 procent dalen.Beeld Bas Bogaerts

Marc Didden

Deze stad wil men helpen, maar dan liefst om zeep

Marc Didden veegt de Brusselse restaurateurs de mantel uit

Tachtig was prachtig. Ik heb het van horen zeggen, ook al was ik er volgens sommigen zelf bij. Ik was toen even uit de wonderlijke wereld van de rock-'n-roll gestapt om mijn lijf en leden aan de vaderlandse cinema te schenken en dat bezorgde mij aanvankelijk veel vreugde, vooral wanneer ik mocht samenwerken met mijn oude Leopoldsburgse vriend Dominique Deruddere.

Brussels by Night, Istanbul en zijn meesterwerk Crazy Love, het waren fijne voorwerpen om te vervaardigen. En al waren het dan achteraf bekeken nogal donkere prenten, toch zijn ze alle drie geboren uit gul en grenzeloos gelach.

We hadden namelijk nog geen chique huizen toen, geen fotografeerbare werkkamers, geen writers' rooms in dure productiekantoren. En ook geen smartphones of laptops. We rotzooiden maar wat aan en verzonnen de hele nacht lang verhalen aan de tafels van cafés als 't Narrenschip, Chez Mariake of Le Coq.

We leegden vakkundig vele flessen en vulden talrijke asbakken. En we dachten vooral dat het eeuwig zo zou blijven duren. Tot er plotseling een kalf genaamd Urbanus Van Anus ten tonele verscheen en het gedaan was met die eerste wonderjaren van de vaderlandse film. Mooie woorden als 'passie' en 'plezier' werden in één klap vervangen door lelijke zoals 'businessplan' en 'return on investment' en in mijn geval ook: 'no fun'.

Maar we bleven vrienden, Dominique en ik, tot vandaag de dag. En toen we het dan tegen het midden van de jaren 80 al wat breder hadden, werden er best nog wel wat wilde plannen gesmeed aan de marmeren tafelen van de enigszins legendarische Taverne Falstaff. Daar kwamen dan vaak vrienden bijzitten die Arno heetten, of Josse of Jan of Marcel. Ze waren, net als wijzelf, vaak in gezelschap van onze mooie en verstandige vrouwen en wij dronken dan allemaal samen, omdat we niet beter wisten, hele sloten van het gemene drankje dat half-en-half heet (maar eigenlijk helemaal niks is).

We lustten dat niet echt, maar dronken er toch van omdat vriendschap belangrijk is. En omdat het goedje met zo veel élégance opgediend werd door de bij iedereen populaire serveuse Betty. We dronken toen eigenlijk niet maar we zopen. Tot we niet meer konden. Tot we 's anderendaags kotsend boven de kakpot hingen terwijl we zwoeren dat we nooit, maar dan écht nooit meer zouden drinken. Tachtig was prachtig, ik zei het toch al.

Marc DiddenBeeld Yann Bertrand

Hufters

Gisteren liep ik nog eens langs Taverne Falstaff. Geen Betty te zien. Zelfs geen halve half-en-half. Maar wel een dichtgetimmerd pand dat naadloos overgaat in de troosteloze rij huizen die samen de Henri Mausstraat uitmaken. Een dodemanszone op een plaats die nog niet zo lang geleden een van de levendigste plekken van de stad was.

Dat kwam omdat het Beursgebouw toen nog in vol gebruik was, er een resem bussen stopte, er een drukbeklant publiek toilet werd opengehouden, er een landelijk aandoend postkantoor was gevestigd en een zaak als de Falstaff nog gerund werd met de meesterhand van de altijd actieve Mijnheer Willy die wist wat horeca was en wat klanten wilden, ook al heetten ze dan Arno of Josse, Marcel of Dominique, Jan of zelfs Marc.

Er kwamen behalve ons ook nog andere Brusselaars over de vloer. Normale mensen uit de buurt die zin hadden in een koffie of een croissant. Of lui die gewoon om de hoek naar de bioscoop wilden, naar een concert in de AB gingen, of wat kwamen napraten na een voorstelling in de Beursschouwburg of De Munt.

Mensen uit de provincie die het een makkelijke plek vonden om af te spreken.
Wakkere toeristen die altijd onder de indruk waren van het binnenwerk in 'style poelink', wat Brussels is voor art nouveau en wijst op de als een paling kronkelende motieven die overal zo veelvuldig aanwezig waren.

En toen kwam er een stel Fransen dat de zaak opkocht en in geen tijd naar de filistijnen hielp. Het personeel bestond plotseling uit een bende hufters, het bier werd lauw geschonken, de mosselen in je bord waren precies al eens door iemand anders gegeten en er klonk slechte disco uit de minderwaardige boxen.

Het publiek bleef weg. Voorgoed. Mensen worden niet graag bedrogen.
Het gaat daarom al jaren slecht tot zeer slecht met Taverne Falstaff en de recente sluiting daarvan is dan ook geen wonder. Het faillissement op het conto van de weliswaar zeer onvolmaakte voetgangerszone schrijven, is iets te gemakkelijk. En getuigt van zeer slechte wil.

Te pluimen kiekens

Mensen worden niet graag bedrogen.

Dat is geen spreekwoord van Bruegel maar wel een gouden wet die de restaurateurs en drankslijters van de talrijke zaken in het historisch centrum van Brussel eens zouden moeten vanbuiten leren. Het zou goed zijn dat ze de bezoekers van de rue des Bouchers en aanverwanten eens niet allemaal als te pluimen kiekens zouden aanschouwen, maar als gasten die ze misschien eens zouden kunnen verwennen.
Dan zouden die gasten misschien ook eens terugkomen, wat nu nooit gebeurt, omdat de Brusselse horeca al jaren het geloof aanhangt dat wie in zijn leven één keer in de hoofdstad langskomt, diezelfde dag ook nog moet bestolen worden.

Het zou geen kwaad kunnen als de mensen van de voedselinspectie eens nagingen wat de invloed op de menselijke darmflora is als een mens geconfronteerd wordt met het nuttigen van al driemaal ontdooide en weer ingevroren kreeft op een bedje van al vijfmaal opgewarmde paella. In plaats van aan de klaagmuur te gaan staan, zouden de koks van veel Brusselse restaurants er goed aan doen eerst te leren koken.
Toch zijn er signalen dat de lokale overheid oren heeft naar hun gejammer.

Raymond van het Groenewoud zong het vroeger al: 'Deze stad wil men helpen, maar dan liefst om zeep'. Het Brusselse stadsbestuur leeft, net als het gros van de horeca hier, nog niet in de 21ste eeuw.

Niet dat het allemaal ellende is natuurlijk. Er bestaan gelukkig flink wat fijne zaken op het hoofdstedelijk grondgebied. Plekken waar goed en gezond voedsel wordt bereid en geserveerd, waar de wijn de harten warm maakt en het schuimende bier ze weer doet bekoelen. Waar de koffie krachtig is en de thee naar bloemen geurt.

Toevallig of niet, maar die zaken zaten de afgelopen weken niet leeg. Ik zag er mijn stadsgenoten genieten van het feit dat ze aan de ellende ontsnapt waren, ik zag oude vrienden weer nieuwe vrienden worden, ik zag mensen die verliefd, verloofd, getrouwd waren diep in elkaars ogen kijken en zeggen: 'Kijk, we zijn er nog'. En ik zag ze denken: we hebben elkaar nodig.

Verhuizen naar Molenbeek

Of Brusselaars een voetgangerszone nodig hebben, weet ik nog niet. Dat die zich niet moet bevinden waar ze nu ligt, weet ik wel zeker. Een drukke boulevard afsluiten voor het verkeer klinkt als een goed en groen idee, maar niet in een stad waar maar één boulevard is. En een druk plein vrijmaken voor een volkse picknick lijkt ook wel een mooie gedachte in de hoofden van bepaalde idiots savants, maar ze gaan er dan wel altijd aan voorbij dat er in deze stad al ten minste dertig parken en honderd pleinen leeg liggen te wachten op mogelijke picknicks.

In ieder geval moet de voetgangerszone zoals ze er nu troosteloos bijligt tussen De Brouckère en even voorbij de Beurs dringend verdwijnen. Mensen die graag door straten lopen waar geen auto's doorrijden, moeten maar in een dorp gaan wonen, en mensen die absoluut over een boulevard willen wandelen, kunnen misschien gewoon de stoep gebruiken. Die is daar namelijk voor uitgevonden.

U zult merken dat ik in dit opstel de naam van onze toekomstige ex-burgemeester nog niet ijdel heb gebruikt. Dat komt omdat ik hem vergeten ben. En hij me al helemaal niet meer kan schelen omdat ik een verhuis naar Molenbeek aan het overwegen ben.

Dat huis van de Abdeslams komt toch leeg binnenkort, hoorde ik, nu de kostwinner naar Parijs is verhuisd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234