Vrijdag 20/09/2019

Opinie Orhan Agirdag

De vrijheid van onderwijs waar uw kroost vandaag nog van geniet, wordt steeds minder vanzelfsprekend

Leerlingen aan de schoolpoort. “Wat én hoe leerlingen moeten leren, wordt steeds verder bepaald door de staat”, zegt onderwijexpert Orhan Agirdag. Beeld Tim Dirven

Orhan Agirdag is docent pedagogiek aan de KU Leuven.

Vandaag is het de eerste schooldag. Uw kroost gaat vandaag naar een school die u in principe zelf heeft gekozen, om pedagogische redenen, praktische redenen, of misschien wel om levensbeschouwelijke of filosofische redenen. Dat is niet alleen mogelijk geweest omdat er in dit land keuzevrijheid bestaat voor de ouders, maar ook dankzij de diversiteit aan pedagogische projecten in het aanbod van scholen, en tevens dankzij de overheidsfinanciering van deze diversiteit aan scholen, waardoor uw schoolkeuze kosteloos gemaakt kon worden en u hiervoor niet afhankelijk bent van uw kapitaal.

Maar keuzevrijheid is alleen zinvol als er werkelijk ook iets te kiezen valt. Als alle scholen hetzelfde pedagogisch project zouden aanbieden en onder één staatsnet zouden vallen, zou u als ouder eigenlijk niet kiezen voor een school met een bepaalde visie, met een bepaald pedagogisch project, maar louter tussen staatspedagogie op adres A of staatspedagogie op adres B. Uw keuzevrijheid is dus enkel zinvol als de aanbieders van onderwijs zelf ook de vrijheid hebben om te kunnen kiezen wat hun visie is, welke methoden ze hanteren of welke onderwijskoepel hen vertegenwoordigt. Onderwijzers kunnen dat enkel doen als ze ook erkend en gefinancierd worden door de overheid voor hun pedagogisch project.

Drie manieren

Dit is de formule van onderwijsvrijheid die van ons onderwijs, samen met dat van Nederland, wereldtop heeft gemaakt. Het is deze onderwijsvrijheid die vandaag fundamenteel bedreigd wordt door oprukkend nationalisme en staatspedagogie. Enerzijds wordt er in de startnota gesproken over ‘opnieuw maximale vrijheid in de schoolkeuze voor ouders’. Anderzijds wordt deze keuzevrijheid volledig uitgehold door de pedagogische vrijheid van onderwijzers aan banden te leggen. Dat gebeurt op drie manieren.

Ten eerste: wat leerlingen moeten leren en hoe leerlingen moeten leren, is steeds minder iets waar scholen en leraren zelf over beslissen, maar wordt steeds verder bepaald door de staat. De staat had zijn greep op onderwijsinhouden al versterkt door de invoering en uitbreiding van de eindtermen. Nu wil hij ook bepalen welke werken of auteurs we moeten leren door een zogenaamde canon in te voeren. Maar wanneer alle leerinhouden door de staat bepaald worden, brengt de leraar niet meer zijn passie, maar enkel de canon van de natie. En laat je niets wijsmaken over wat tot de canon zal behoren: de staat heeft geen enkele motivatie om kritische lectuur aan te bevelen die de eigen positie in gevaar zal brengen. Geen George Orwell meer, maar enkel Hendrik Conscience.

Orhan Agirdag Beeld RV

Ten tweede: de leraar en de klassenraad worden buitenspel gezet door de invoering van centrale examens. Vergeet dus de leuzen dat de leraar opnieuw aan belang zal winnen. Staatspedagogie vertrouwt de leraren helemaal niet. Want niet meer de klassenraad – lees: de leraren – beslist over welke leerlingen slagen, maar wel de centrale examens van de staat. De leraar verliest hiermee aanzienlijk zijn belang in het onderwijsproces. Hoe meer de staat de onderwijsuitkomsten naar zich toe trekt, hoe meer de leraar gereduceerd wordt tot een uitvoerder van staatspedagogie.

Doodsteek

Ten derde, en dit is wat mij betreft de doodsteek: de staat gaat straks kunnen beslissen welke pedagogische projecten aanvaardbaar en financierbaar zijn. Een precedent hiervan hebben we vorige week gehad: een islamitische school in Genk kreeg op basis van ideologische redenen geen erkenning. Dat passeerde zonder veel protest, en zelfs hardleerse verdedigers van pedagogische vrijheid verkozen er niet op te reageren. Dus wordt deze centralisering momenteel gelegaliseerd tijdens de onderhandelingen. Letterlijk houdt dit in dat ‘radicale’ pedagogische projecten geweerd kunnen worden. Maar wat is radicaal? Vandaag zijn dat blijkbaar islamitische scholen. Welke garanties hebben we dat later antroposofie-, Freinet- of zelfs katholieke scholen niet als ongewenste, ja radicale pedagogische projecten zullen worden bestempeld?

Zover zijn we gelukkig nog niet. Om staatspedagogie ten volle te realiseren, moeten eerst alle structuren die de leraren en scholen pedagogisch verenigen en die zich dus kunnen verzetten tegen de staat, van de kaart geveegd worden. De hernieuwde aanval op de koepelverenigingen van de scholen moet vooral begrepen worden vanuit deze drijfveer.

Voor nationalisten lijkt dit politiek gezien een gemakkelijke strijd te worden. Ze hebben weliswaar de grondwet tegen, maar er is momenteel geen sprake van oppositie. Want voor de sociaaldemocraten en liberalen klinkt één staatsnet als muziek in de oren – en kennelijk is dat ook bij Jonathan Holslag het geval (DM 2/9). Christendemocraten liggen intern overhoop. Zelfs als Hilde Crevits (CD&V) kan aanblijven als minister, zal ze een nationalistische agenda moeten uitvoeren. Helaas moet een progressief alternatief dat onderwijsvrijheid verdedigt tegen nationalisme nog uitgevonden worden.

De vrijheid van onderwijs waarvan uw kroost vandaag nog geniet, wordt steeds minder vanzelfsprekend. Het kostbare weefsel van vrijheid ontrafelt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234