Zondag 27/11/2022

OpinieZomerspraakmakers

De vraag van Paul De Grauwe: waarom stemmen kiezers op politici die hun economische belangen schaden?

null Beeld Jenna Arts
Beeld Jenna Arts

In deze reeks leggen opiniemakers van De Morgen een brandende kwestie voor aan een gastauteur naar keuze. Deze reeks verschijnt op maandag en donderdag in augustus.

Paul De Grauwe / Dave Sinardet

Paul De Grauwe is professor aan de London School of Economics en De Morgen-columnist

It’s the economy, stupid.” Dat was de campagneslogan van Bill Clinton in zijn succesvolle verkiezingsstrijd tegen George Bush (de oudere) in 1992. Het idee is dat verkiezingen gewonnen of verloren worden al naargelang de economie het goed of slecht doet. Maar dat idee heeft recentelijk toch een flinke deuk gekregen. Kiezers lijken zich niet alleen te laten leiden door hun portemonnee. Dat leidt tot de volgende vraag: hoe komt het dat zo veel kiezers in vele landen hun stem uitbrengen op politici van wie ze zouden moeten weten dat die hun economische belangen niet zullen verdedigen, zelfs integendeel? Ik denk aan de Trump-kiezers in de VS, aan de Johnson-kiezers in het Verenigd Koninkrijk. Ik zie dat ook in Europese landen als Frankrijk en Italië.

Paul De Grauwe. Beeld Damon De Backer
Paul De Grauwe.Beeld Damon De Backer

Het antwoord van Dave Sinardet: ‘Menselijk gedrag is complex en zo ook dus stemgedrag’

Dave Sinardet is professor politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel en de Université Saint-Louis Bruxelles. Hij doet onder meer onderzoek naar nationalisme en multi-level-governance en doceert vakken als ‘Democracy and nationalism’ en ‘Belgisch federalisme’.

Wat een bijzonder boeiende en belangwekkende vraag die je mij stelt. Makkelijk maak je het mij wel niet, want over deze kwestie zijn massa’s onderzoeken gevoerd en zijn bibliotheken vol geschreven, door auteurs die lang niet allemaal op dezelfde lijn zitten. Laat me toch proberen om in dit korte bestek wat elementen van antwoord te bieden.

Laten we eerst het ‘probleem’ scherp krijgen. Dat een deel van de kiezers niet stemt volgens wat men als hun sociaal-economische belangen kan beschouwen, kwam inderdaad vooral bij de verkiezing van Trump sterk op de voorgrond, maar is eigenlijk een veel ouder fenomeen.

Zo publiceerde de Amerikaanse politicoloog Everett Carll Ladd Jr. al in 1976 een bijdrage in Political Science Quarterly waarin hij een ommekeer zag in de verhouding tussen klasse en kiesgedrag vanaf de jaren 1960: terwijl witte kiezers uit lagere inkomensgroepen in 1960 zoals vanouds veel meer stemden op de Democratische kandidaat John F. Kennedy dan mensen met een hogere socio-economische positie, was dat in 1968 al niet meer het geval bij zijn onsuccesvolle partijgenoot Hubert Humphrey. Nixon had een groter deel kiezers uit de witte arbeidersklasse kunnen overtuigen dan zijn voorgangers.

Reagan Democrats

In de daaropvolgende decennia werd deze analyse nog veel vaker gemaakt. In de jaren 1980 bleken er heel wat zogenaamde ‘Reagan Democrats’, zoals vakbondsleden, te zijn onder het Republikeinse electoraat. In 2012 stemden 77 van de 100 armste county’s in de VS op Mitt Romney en niet op Obama. Tegelijk werd er terecht genuanceerd en zelfs gecontesteerd.

De evolutie is niet geheel lineair en kende schommelingen, maar op langere termijn tekende zich wel een duidelijk patroon af, waarbij de socio-economische kiezersbasis van Democraten en Conservatieven gradueel en deels omwisselde, in die mate dat Conservatieven nu meer stemmen halen bij lager opgeleide kiezers met een lager inkomen en Democraten bij hoger opgeleide kiezers met een hoger inkomen. Die laatsten stemmen dus evenzeer tegen hun economische belangen in.

De verkiezing van Trump in 2016 gaf deze trend een verdere sterke boost, die ook de aandacht ervoor vergrootte. Maar hij heeft dus veel diepere wortels.

Opmerkelijk: waar zich oorspronkelijk een duidelijk verschil aftekende tussen de witte arbeidersklasse en deze met migratieroots, neemt de steun voor de Democraten ook bij deze laatste de voorbije tien jaar af, vooral onder hispanic voters.

Zoals je zelf aangeeft, is de afnemende steun voor linkse partijen bij de lagere inkomensgroepen zeker geen louter Amerikaanse trend. Iets minder eenduidig tekent die evolutie zich eveneens al enkele decennia af in Europese landen, een vaak aangehaalde reden voor de afkalving van de Europese sociaaldemocratie.

Breuklijnen

Hoe kunnen we dit fenomeen verklaren, vraag je mij.

Wel, een wezenlijk element ligt in de bekende theorie van de breuklijnen, die ook al stamt van eind jaren 1960. Hoewel we er meerdere kunnen ontwaren – de Belgische politiek kent er historisch drie, zoals je weet – wordt de laatste jaren vaak een onderscheid gemaakt tussen een socio-economische en een socioculturele links-rechtsbreuklijn.

De eerste, een van de meest klassieke, draait in essentie rond de vraag hoe sterk de overheid mag ingrijpen, dan wel de vrije markt moet laten spelen. Concreet gaat het over thema’s als inkomensherverdeling, sociale zekerheid, fiscaliteit, enzovoort.

De socioculturele breuklijn is opgekomen als gevolg van recentere maatschappelijke evoluties en kristalliseert zich vooral rond het diversiteitsvraagstuk, met thema’s als migratie en integratie.

Uit onderzoek blijkt dat een beduidend deel van de lagere inkomensgroepen in veel landen nog wel vrij links staat op de socio-economische as maar veeleer rechts op de socioculturele. Zeer lapidair samengevat: vaak willen ze wel meer herverdeling, maar ook minder migratie.

Omdat die combinatie tot voor kort niet structureel tot het partijpolitieke aanbod behoorde, drong zich voor veel kiezers een keuze op. Naargelang van wat hen het belangrijkste lijkt en/of welk thema centraal staat in de verkiezingscampagne, kunnen ze dus in lijn stemmen met (wat ze zien als) hun socio-economische of hun socioculturele ‘belangen’.

(Radicaal-)rechtse partijen slaagden er geregeld in ze in die laatste richting te mobiliseren. Al in 1968 was een van de verklaringen voor de lagere steun voor de Democraten bij de witte arbeidersklasse, waar ik het hierboven over had, dat Nixon succesvol wist in te spelen op de ergernis bij een deel van deze kiezers over de focus van de Democraten op de antiracistische ‘civil rights’-agenda.

Kortom, zoals linkse analisten het zouden verwoorden: rechts verblindt en misleidt sociaal zwakkeren zodanig dat ze tegen hun belang in stemmen. Of zoals rechtse commentatoren het plegen uit te drukken: links heeft de witte arbeidersklasse verraden.

Grappig genoeg kan ook de linkerzijde zich in die laatste stelling vinden, maar niet omdat socialistische leiders hun achterban zouden verloochenen op sociocultureel vlak, wel op hun klassieke terrein. Ze schoven socio-economisch op richting centrum, naar de derde weg die hen getoond werd door Bill Clinton en Tony Blair.

Lagere inkomensgroepen zagen dus ook hun socio-economische belangen niet meer goed vertegenwoordigd bij de sociaaldemocratische partijen en haakten af. Het zou kunnen verklaren waarom een partij als de Belgische PS volledig tegen de Europese trend in toch vrij succesvol blijft: wars van de tijdsgeest heeft ze altijd een vrij klassiek links discours behouden.

Culture wars

Alleszins is het geen toeval dat verschillende partijen vandaag proberen het electorale gat in de markt te vullen met de combinatie van een links herverdelingsverhaal en een rechts diversiteitsdiscours. Om de blik op ons land te richten: terwijl Vlaams Belang zich een socialer imago poogt aan te meten, stuurt Conner – ‘In Molenbeek voel ik mij niet in België’ – Rousseau zijn partij sociocultureel naar rechts.

Dat is niet helemaal nieuw. Toenmalig SP-voorzitter Louis Tobback probeerde dat in de jaren 1990 al, onder impuls van socioloog Mark Elchardus, die in 1994 als eerste de opkomst van de socioculturele breuklijn voor België in kaart bracht in het tijdschrift Samenleving en Politiek.

Symbolisch voor deze periode is Tobbacks vergelijking van asielzoekers met meeuwen op een stort. Minder geweten is dat hij daar een ethisch conservatieve houding aan koppelde met uitspraken als “Aids is een modeziekte” en “Homo’s die komen trouwen op mijn stadhuis flikker ik eruit”.

Het doet denken aan hoe de socioculturele breuklijn zich in de VS nog steeds manifesteert in de ‘culture wars’, die behalve rond migratie nog steeds draaien rond abortus en lgbtqi+-thema’s. Daarover zijn de meeste Europese samenlevingen echter dusdanig in progressieve richting geëvolueerd dat ze ontkoppeld werden van de conservatieve houding rond diversiteit.

Vandaag loopt de Vooruit-voorzitter dartel mee in de Pride. Sterker nog: rechtse partijen halen homorechten zelfs aan in hun strijd tegen de islam.

Enkel naar de socio-economische breuklijn kijken volstaat dus niet om kiesgedrag te begrijpen.

Intuïties

Maar eigenlijk is ook het populaire verklaringsschema van de twee breuklijnen wat te reductionistisch geworden in een complexe maatschappij. Kiezers kunnen bijvoorbeeld tegelijk een vermogensbelasting willen en een strikter migratiebeleid, maar ook meer kernenergie, minder regionale autonomie, enzovoort.

En zelfs binnen eenzelfde breuklijn kunnen ze tegenstrijdige posities innemen. Onderzoek toont bijvoorbeeld dat een zeer ruime meerderheid van de Belgen voor een vermogensbelasting is, maar ook voor een gemeenschapsdienst voor leefloners.

Voor veel kiezers bestaat de enige juiste partijkeuze die al hun standpunten of ‘belangen’ combineert dan ook niet. Het socio-economische belang en hoe dat begrepen wordt, is dus één mogelijke afweging in complexe ontzuilde tijden.

En dan heb ik tot nu enkel nog maar naar beleidsvoorstellen gekeken. We mogen analyses van stemgedrag echter niet te veel baseren op de mythe van een rationele kiezer die zich baseert op een afgewogen analyse van partijprogramma’s.

Zoals onder meer sociaal psycholoog Jonathan Haidt schreef, vertrekken veel mensen eerder van intuïties en diepgewortelde waarden, die vervolgens gerationaliseerd worden.

Volgens het onderzoek ‘De stemming’ (UA/VUB) koos maar liefst 73 procent van de Vlaamse kiezers in 2019 niet voor de partij waarmee hun standpunten het best overeenkwamen. Voor zover ze zich überhaupt al baseren op partijstandpunten.

In veel kiezersonderzoek verwijst enkel een minderheid daarnaar als motivatie van haar stemkeuze. Anderen zeggen zich bijvoorbeeld te laten leiden door de persoonlijkheid van kandidaten, aanbevelingen van hun omgeving, gewoonte, het partij-imago, enzovoort.

Heel wat mensen blijken partijstandpunten zelfs niet goed te kennen, noch de politieke situatie (wie zit waar in de meerderheid of de oppositie, enzovoort), zeker in een federaal land met heel wat bestuursniveaus.

Menselijk gedrag is complex en zo ook dus stemgedrag. In zo’n context vraagt het van partijen die de sociaal-economische belangen van bepaalde groepen willen verdedigen veel inspanning om hen, welja, het belang daarvan te doen inzien.

Ik denk dat we beiden alvast met veel belangstelling zullen volgen hoe ze dat precies zullen proberen en in welke mate dat zal lukken.

Dave Sinardet. Beeld Tim Dirven
Dave Sinardet.Beeld Tim Dirven

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234