Woensdag 24/04/2019

Column

De stad aan het einde van haar stedelijkheid

Mark Elchardus is professor emeritus sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en opiniemaker bij De Morgen. Zijn bijdrage verschijnt op zaterdag.

'Brussel-liefde is verzet tegen stadshaat. Het is in feite niet veel meer dan dat, want het materiële voorwerp van die liefde is lelijk en stinkt.' Beeld Photo News

Heel wat Brusselaars vinden hun stad lelijk, maar zijn er sterk, uitdagend, ja met bravoure aan gehecht. Architecturale wanorde, kaalslag, verloedering, falend beleid, schreeuwende ongelijkheid, zichtbare miserie, instortende tunnels, verkeersinfarcten, zwerfvuil, brutaliteit… “en toch hou ik van deze stad”. Ik hoorde het al honderd keer. Zei het zelf ook wel eens. Het is overigens niet meteen duidelijk of bedoeld wordt “ondanks dat alles hou ik van deze lelijke, disfunctionerende stad” of “precies ter wille van die rauwe brutaliteit hou ik van deze plek”. 

Mark Elchardus. Beeld Franky Verdickt

Beide vormen van Brussel-liefde bestaan, en er zijn er nog meer. Sommige Brusselaars houden van de charmante wanorde van huizen en mensen, maar zouden graag alle auto’s uit de stad bannen, anderen vinden dat auto’s nu eenmaal bij een metropool horen. I love the smell of napalm in the morning. Wat is een stad zonder de diepe motorstem van auto’s, zonder de geur van rubber en benzine? Een dorp.

Metafysisch gegeven

Brussel-liefde komt in vele, vaak onverwachte vormen, maar klinkt steeds als de poëzie van Baudelaire, die schoonheid vond in het eigenaardige en afwijkende. Met verzen werd het lelijke mooi gezongen. De man woonde een tijd in Brussel. “Alles stinkt er naar zwarte zeep”, noteerde hij in zijn dagboek. “Er zijn enkel wijven, geen vrouwen”. De auteur van Les fleurs du mal mocht Brussel niet. Echte Brussel-liefde daarentegen kan alles aan.

Hoe is zo’n liefde mogelijk? Wel, omdat mensen nooit alleen maar in een stad leven, doch ook altijd in de voorstelling van een stad, in het verleden van de stad, in de belofte van de stad, kortom in stedelijkheid. De stad is er fysiek, maar dat doet er nauwelijks toe. Natuurlijk zijn er de straten en de boulevards, de platanen en de Japanse kerselaars, de huizen, de trams en de auto’s, de pleinen en winkels… maar die materialiteit is maar een klein onderdeel van wat de stad werkelijk is. De stad waaruit Brussel-liefde wordt geboren, is een metafysisch gegeven, een ideaal, een knooppunt van waarden en ambities, de inzet van een gevecht om beschaving.

Hevige tegenstanders

De stad was diversiteit, vrijheid, onderneming, Verlichting, kunst én wetenschap. Stadtluft macht frei. Oorspronkelijk letterlijk, omdat de lijfeigenen na een periode in de stad hun vrijheid verwierven. Die middeleeuwse uitdrukking werd weer populair in de 19de eeuw, toen velen van het platteland naar de steden trokken en zich alzo onttrokken aan de drukkende sociale controle van het dorp. 

Precies om die reden had de stad ook altijd hevige tegenstanders. Voor hen was ze onpersoonlijk, kunstmatig en koud. Een verzameling mensen bewogen door hebzucht, gekenmerkt door onverschilligheid, ongevoelig voor de grote ongelijkheden tussen hen. Een oord van grote vrijheid en dus van verderf, van zedeloosheid en vooral van goddeloosheid. Mensen trokken naar de stad, God bleef kniezend achter op het platteland. Ruimtelijke ordening was toen meteen geestelijke ordening.

Dictators hebben het altijd moeilijk gehad met steden en hun bewoners. Van Mao over Pol Pot tot Kadhafi, vroeg of laat willen zij dat die al te stedelijke leraars en professoren hun job maar eens ruilen met boeren, alzo het 'echte leven' te leren kennen. Doorgaans volgt dan hongersnood. Geregeld worden steden vernield, niet uit strategische overwegingen, maar om stedelijkheid te smoren. Toen de Rode Khmer in lange rijen Phnom Penh binnentrokken, was dat, proporties in acht genomen, een echte stad met Chinese handelaars en Franse restaurants, winkels met de boeken van Parijse en New Yorkse intellectuelen, scholen en een architecturaal geheugen dat over een divers verleden vertelde. 

Na de Rode Khmer, uitgehongerde boerenjongens, restte een dorp. Nadat de Taliban Kaboel hadden veroverd, en toen ze uitgeput waren van het folteren en het moorden, schreven zij in grote letters op de gebouwen van het ministerie van Justitie dat “de rede stinkt en voor honden is”. De salafistische jihadisten vernielden in Timboektoe met drilhamers zelfs de broze herinnering aan een stad die in een ver verleden intellectueel had gebloeid. Een stad is altijd bedreigend voor wie eenvoud en zuiverheid wil. Elke echte stad is immers altijd een beetje Babylon, Bagdad, Peking, Rome, Firenze, Londen of New York. “Die indrukwekkende torens die getuigen van vrijheid, mensenrechten en humanisme, werden vernield. Opgegaan in rook”, schreef Bin Laden met voelbare binnenpret nadat de Twin Towers waren ingestort.

Verzet of pure nostalgie?

Brussel-liefde is verzet tegen dat soort stadshaat. Het is in feite niet veel meer dan dat, want het materiële voorwerp van die liefde is lelijk en stinkt. De liefde wordt geboren uit een onwrikbaar geloof in stedelijkheid. Maar, is Brussel nog wel stedelijk? Verdient het die liefde?

Van de jongeren in Vlaanderen is nog 59 procent gelovig. In Gent is dat 60 procent, maar naarmate men naar meer stad gaat, neemt dat toe: 72 procent in Antwerpen, 83 procent in Brussel. God woont nu stedelijk en betrekt een appartementje. Ruimtelijke ordening is weer geestelijke ordening, maar met de rollen van stad en platteland inmiddels geruild. God leeft nu, verbolgen en gefrustreerd, in de minder fraaie buurten van de stad.

Van de 'autochtone' jongeren in Brussel zou 16 procent moslims noch Roma toelaten tot het land. Van de Marokkaanse jongeren zou 16 procent geen Polen of Bulgaren binnenlaten, 22 procent geen Roma en 27 procent geen joden. Van de Turkse jongeren zou 20 procent aan Polen, 26 procent aan Bulgaren, 27 procent aan Roma en 37 procent aan joden de toegang tot het land ontzeggen. Van de autochtone Brusselse jongeren wil slechts 32 procent een moslim als vriend, van de Marokkaanse jongeren wil slechts 22 procent en van de Turkse jongeren slechts 17 procent een autochtone Vlaming als vriend. (Verschillende onderzoeken van het Jeugd Onderzoeks Platform.)

Brusselse stadslucht maakt bekrompen. Brengt er mensen toe van alles uit te sluiten: van auto’s tot medeburgers… Het lijkt erop dat bevrijding en openheid voortaan gezocht moeten worden in de verkaveling en de villawijk. Daar willen de meeste jonge Belgen trouwens wonen, het liefst in een huis omgeven door een tuin. De stad is hen te eng. Een commerciële kern, gericht op consumptie, restaurantbezoek en gesubsidieerde cultuur voor een minuscule minderheid, omgeven door een gordel van vervreemding en bitterheid en, verder weg, huwelijk van beton en groen, de verkavelingen en villawijken. 

In Europa worden de grotere steden razendsnel bolwerken van traditionalisme en verbittering. Globalisering, migratie, hoge bevolkingsdensiteit en de nieuwe communicatiemiddelen verwijzen stedelijkheid misschien wel definitief naar de schroothoop van de geschiedenis. Brussel-liefde, is ze louter nostalgie of biedt ze nog een sprankel hoop?  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.