Vrijdag 18/10/2019

Opinie

De seksismewet lost geen enkel probleem op. Ze creëert alleen nieuwe

In juni 2016 slingerde een agressieve man een agente seksistische verwijten naar het hoofd. Hij werd enkele maanden terug veroordeeld, onder meer voor een inbreuk op de seksisme­wet. Beeld Leon Fernando

Voor het eerst is in ons land iemand ver­oor­deeld op grond van de seksismewet, maakte De Morgen deze week bekend. Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen was verheugd. Rechtsantropoloog Jogchum Vrielink deelt de hoera-stemming niet.

Stel. Ik probeer een recept uit een kookboek dat al vier jaar ongeopend ligt te verstoffen in mijn kast. Het resultaat smaakt hetzelfde als enkele gerechten uit mijn oudere kookboeken. Niettemin besluit ik enthousiast dat het ‘nieuwe’ kookboek een noodzakelijke aankoop was. Vreemd? Nochtans is dat wat het Insti­tuut voor de Gelijk­heid van Vrouwen en Mannen deze week concludeerde over de seksisme­wet bij de eerste toepassing daarvan, in haar vierjarige bestaan.

Waarover ging de zaak? Twee politie-inspecteurs zagen een voetganger een rood licht negeren en andere weggebruikers in gevaar brengen. De man bleef doorwandelen, ondanks de zwaailichten, sirene en luidspreker van het politievoertuig. Ook toen omstanders hem wezen op de politie, bleef hij zijn weg vervolgen.

Jogchum Vrielink. Beeld rv

De politie hield de man uiteindelijk te voet staande. Hij reageerde geagiteerd en kwam bijna tegen een van de agenten aan staan, die hem achteruit duwde. De zaak escaleerde, waarbij de man de agenten uitschold voor ‘strontflikken’ en ‘stukken stront’ en riep dat hij hen zou slaan als ze hem nog eens aanraakten. Vervolgens richtte hij zich tot de vrouwelijke agent en zei dat ze een job moest zoeken die (wel) geschikt is voor vrouwen, zoals bankbediende. Daarop aangesproken, door de agente, zei hij dat hij niet met vrouwen praat en dat ze moest zwijgen, “de vuile hoer”.

De man werd veroordeeld, bij verstek, voor smaad, bedreiging én inbreuk op de seksisme­wet.

Uitzonderlijke situatie

Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen reageerde verheugd. De veroordeling was niets minder dan “het beste bewijs dat de wet niet overbodig is”. Er waren immers mensen die het tegendeel claimden, toen de wet er kwam. Ten onrechte dus. Ha!

Ik kom er eerlijk voor uit: persoonlijk behoorde ik destijds tot die tegendeel­claimers. Vóór de totstandkoming van de seksisme­wet bestonden er al talloze juridische middelen om iets te doen aan het probleem waar de wet vooral op gericht was: seksistische straat­intimidatie. Zulk gedrag kon aangepakt worden met een veelheid aan strafbepalingen, waaronder die inzake belaging, bedreiging, smaad, laster, eerroof en belediging; bepalingen waarbij bovendien vaak zwaardere straffen gelden als een van de motieven bestaat in ‘haat, misprijzen of vijandigheid’ tegen iemand wegens zijn geslacht. Ook het systeem van gemeentelijke administratieve sancties (GAS) laat toe om zulke overlast tegen te gaan.

Als het vonnis íéts aantoont, dan is het dat de seksisme­wet inderdaad overbodig is. Zelfs de ten­laste­leggingen die specifiek (en uitsluitend) verband hielden met de seksisme­wet, hadden onder andere bepalingen kunnen worden gebracht. Zo levert het feit dat je een politie­agente een ‘vuile hoer’ noemt, heus ook smaad op.

“Aha”, zei Liesbet Stevens, adjunct-directeur van het Instituut, in De afspraak (VRT), “maar als het zogezegd kon, waarom gebeurde het dan niet?” Deels gebeurde dat allicht wel, althans in dit soort situaties. Het lijkt me een veilige assumptie dat politie­agentes zich ook vóór de komst van de seksisme­wet niet gewillig lieten uitschelden voor ‘hoer’.

Voor overige zaken was (en is) het een kwestie van handhavings- en vervolgings­prioriteiten. Maar daaraan heeft de komst van de seksisme­wet niets gedaan. Integendeel. Deze enkele toepassing is vooral de uitzondering die de regel bevestigt.

Temeer daar het om een hoogst atypische zaak gaat: het slachtoffer is hier een agente (in functie) en de dader was onverstandig genoeg om zijn misogynie ten aanzien van haar te uiten. Dat alles is ver verwijderd van de standaard­situatie van intimidatie van gewone vrouwen op straat. Daar­aan heeft de wet niets veranderd.

Seksisme, dus seksisme

Ook gezien de inhoud van het vonnis is het enthousiasme van het Instituut verwonderlijk. Voor alle duidelijkheid: dat iemand veroordeeld wordt voor het uitschelden en bedreigen van agenten, is terecht. Maar de motivering om de man (ook) voor seksisme te veroordelen schiet niettemin tekort.

De rechter stelt simpelweg dat de ten­laste­legging wordt bewezen “door de duidelijke vaststellingen” van de politie zelf. Dat lijkt wat apodictisch (onweerlegbaar, red.): de politie stelt vast en daarmee is de juridische oefening af.

Zo hoort het niet te werken. De politie brengt feiten aan, waarvan vervolgens, gemotiveerd, bezien moet worden of die onder een delicts­omschrijving kunnen worden gebracht. Het volstaat dus niet om te zeggen: ‘de politie stelt dat het diefstal was en daaruit blijkt genoegzaam dat het diefstal is’.

Het enige extra punt dat de rechtbank aanhaalt, is dat de man tijdens zijn verhoor “moeilijkheden in zijn omgang met personen soms toeschrijft aan het vrouwelijke geslacht van die persoon”. Dat bevestigt volgens de rechtbank de vaststelling van seksisme.

De rechter lijkt hier het opzet van de beklaagde te toetsen. Dat opzet was volgens de wetgever een zogenaamd ‘bijzonder opzet’: aangetoond moet worden dat iemand de kwaadwillige intentie had iemand te minachten of als minderwaardig te beschouwen. Die wil moest “duidelijk en onbetwistbaar zijn”.

Ik geloof best dat die bedoelingen hier aangetoond konden worden. Maar de rechtbank doet dat eigenlijk niet. De redenering lijkt opnieuw apodictisch: als je er al van uitgaat dat de vereiste intentie voorhanden is, dan is wat de man bij zijn verhoor zei daar een illustratie van. Maar andersom is het niet evident om de intentie die hij met zijn uitingen had, als ‘aangetoond’ te beschouwen op grond van de algemene persoons­­problematiek die hij in het verhoor te kennen gaf.

Lokhomo’s

Los van het vonnis blijven verder de problemen met de wet zelf overeind: ze is onduidelijker dan de redenen voor de brexit en laat te veel inter­pretatie­ruimte. Toegegeven, het Grond­wettelijk Hof heeft de wet aanvaard, maar dat verandert niets aan het onduidelijk­heids­probleem.

De wet definieert ‘seksisme’ immers als gebaren of handelingen die ‘klaarblijkelijk bedoeld zijn om minachting uit te drukken’ jegens iemand wegens zijn geslacht, of die een persoon ‘als minderwaardig beschouwen’ of ‘reduceren tot diens geslachtelijke dimensie’. Ook moet sprake zijn van een ‘ernstige aantasting van de waardigheid’. Het was en blijft volstrekt onduidelijk wat dit allemaal betekent en vooral: waar het eindigt.

Dat er in de praktijk nog niet veel toepassingen zijn, doet aan dat probleem niets af. Door de huidige wet kun je haast alles bestraffen als je daar toevallig zin in hebt – terwijl het strafrecht juist zo duidelijk mogelijk moet worden afgebakend, om willekeur en machts­misbruik te voorkomen.

En vooral: aan het probleem van straat­intimidatie, waar de wet zogezegd op gericht was, doet ze niets. Zoveel mag na vier jaar, zonder één enkele toepassing, wel duidelijk zijn.

Dat terwijl het te gek voor woorden is dat vrouwen niet ongestoord door sommige straten in onze grote steden kunnen wandelen. Al even onaanvaardbaar is het dat holebi’s en trans­genders dat evenmin kunnen (iets waaraan de seksisme­wet niets doet).

Net als Bart Eeckhout (DM 6/3) ben ik daarom gewonnen voor GAS-boetes (met een lage bewijslast en onmiddellijk effect), gecombineerd met zogenaamde ‘lok­vrouwen’ en ‘lok­homo’s’. Als mo­gelijke daders niet weten of passerende vrouwen of homo­koppels politie­agenten zijn of gewone voorbij­gangers, dan zullen ze – na één of meer boetes – wel op hun woorden en gedrag letten.

De seksisme­wet zelf is echter een ‘recept’ waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234