Maandag 17/06/2019

Column Hilde Van Mieghem

De man met de baseballbat kijkt me aan, zijn gezicht verwrongen van haat: ‘’t Is aindelek aan ongs, want waai zen gewonne, linkse rat!’

Hilde Van Mieghem. Beeld rv

Hilde Van Mieghem gunt ons een gloedvolle blik achter de schermen van haar leven.

Het is drie uur ’s nachts. Ik ben wakker geworden van geroffel op de voordeur. Rechtop in bed zit ik te luisteren. Ik hoor geroep, gegil en dan weer geroffel op de deur. Mr. Wilson begint te blaffen, een schel en doordringend gekef. Ook hij is bang, dat leid ik af uit de toonhoogte. 

Mijn hart klopt in mijn keel. Omdat het huis nog steeds verpakt zit in zeildoek, kan ik vanuit het raam niet zien wat er aan de hand is. Ik hoor een meisje gillen: “Nee, niet doen!” Ik hoor jonge stemmen die proberen om iemand te kalmeren. En dan het antwoord van een diepe mannenstem in onvervalst plat Antwerps: “Vuile klootzakskes, ik slaag olle de kop in.” Weer gegil.

Ik doe een jas aan over mijn pyjama en trek pantoffels aan. Mr. Wilson blijft blaffen. Ik sis hem toe dat hij stil moet zijn, stop hem in de bench en sluip naar de voordeur. Ik ben bang van geweld. Ruziënde, vechtende mensen jagen me de stuipen op het lijf en meestal ga ik hard lopen, maar nu klinkt dat angstige gegil zo akelig dichtbij dat ik toch maar ga kijken.

Ik open de voordeur heel zachtjes – dat was toch het plan – maar er rolt een zwart meisje naar binnen. Ze had zich onder het zeildoek verstopt en probeerde zich zo klein mogelijk te maken tegen de voordeur. Ze schrikt van mij, krabbelt recht en wil weg­lopen, maar ik doe haar teken dat ze stil moet zijn. Huilend knikt ze dat ze het begrepen heeft.

Ik kruip zo stil mogelijk vanonder het zeil naar de straat, spied de straat af en daar zie ik hem staan. Een baseballbat in zijn hand, op blote voeten, in pyjamabroek en bloot bovenlijf. Zijn vette buik klotst heen en weer bij elke beweging die hij maakt.

Ik ken hem, hij woont in de buurt en ook ik heb het al met hem aan de stok gehad. Hij zwaait dreigend met zijn bat naar een groepje jongeren die hem tevergeefs proberen te kalmeren. Ik hoor een van de jongeren zeggen: “Sorry meneer, sorry dat we lawaai maakten.” Ik schep moed en loop naar hen toe. “Hey, hou eens op allemaal”, roep ik. “Ik wil slapen. Naar huis jullie!”

De jongeren stuiven weg. Tegen de man zeg ik geen woord. Hij kijkt me aan, zijn volledige aandacht is nu op mij gericht, zijn gezicht verwrongen van haat. “Och iere hedde wa, zaai go d’eur aaige moeie! Kreupt agaa in oe bed ba da joenk negerke van a, voil oer!” Hij heeft het over de zoon van mijn broer, die vanuit Zuid-Afrika hier is komen studeren en maandenlang bij mij in huis gewoond heeft.“Binnenkeurt slaog ik dien oek de kop in. ’t Is aindelek aan ongs, want waai zen gewonne, linkse rat!” roept hij.

Ik kijk de man ijskoud aan, draai me om, loop naar huis, doodsbang dat hij me toch nog zal slaan.

Zo begint het dus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden