Vrijdag 06/12/2019
Paul De Grauwe. Beeld rv

Column Paul De Grauwe

De cultuursector kan niet zomaar claimen dat ze een goddelijk recht heeft op die subsidies

Paul De Grauwe is professor aan de London School of Economics. Zijn column verschijnt tweewekelijks.

De Vlaamse regering vermindert de subsidies aan de cultuursector. Die is nu in rep en roer. Het valt op dat de sector meer dan andere in staat is gevoelens van collectieve verontwaardiging los te weken en mensen te mobiliseren. Wie weet komt de Vlaamse regering op andere ideeën.

Ik hoor en lees veel flauwe argumenten voor cultuursubsidies. Het flauwste is wel het economisch argument: voor elke euro subsidie vloeit x euro terug naar de economie en dus naar de overheid. Vul zelf in wat x is. Sommige vurige voorstanders (het Vlaams Theaterinstituut, bij voorbeeld) stellen x = 2 of 3. Schromelijk overdreven, zou ik zeggen. Als dat waar was, dan hadden we een miraculeuze geldmachine uitgevonden. De overheid steekt er 1 euro in en er rolt 3 euro uit. Waarop wachten we om miljarden in de cultuursector te steken? Je krijgt er twee- tot driemaal meer euro uit.

Wanneer de overheid subsidieert, vloeit er natuurlijk altijd geld terug naar de economie. Dat is het geval met de cultuursector, maar ook met talloze andere sectoren. Het geld dat naar een universiteit, naar een theater, naar een voetbalploeg gaat, keert terug naar de economie in de vorm van lonen, wedden, winsten, uitgaven die het personeel maakt in restaurants, de bioscoop, enzovoort. Het probleem met dit economisch argument is dat het onbruikbaar is om politieke beslissingen te nemen over de vraag hoeveel en voor wie de overheid moet subsidiëren. Al de subsidieontvangers kunnen claimen dat er geld terug verdiend wordt. En het is helemaal niet duidelijk waar dit terugverdieneffect het grootste is. De cultuursector zou, als er een ranking van terugverdieneffecten wordt opgesteld, aan het kortste einde kunnen trekken.

Ik las ook dat we trots moeten zijn op onze culturele sector. Het buitenland benijdt ons. Tja, maar dat kan ook gezegd worden van ons voetbalelftal, onze flandriens, onze chocolade, ons bier, enz. Nogal wat Fransen zijn trots op hun “force de frappe” (stra­te­gi­sche kern­wa­pens, red.). Is nationale trots een bruikbaar argument om politieke beslissingen te nemen over hoeveel en voor wie moet gesubsidieerd worden? Ik denk van niet.

Ernstige argumenten

Laten we overstappen naar ernstige argumenten voor subsidies, want die zijn er. Ik zie er een drietal. Het eerste heeft te maken met publieke (collectieve) goederen. Dat zijn goederen (of diensten) die zodra ze geproduceerd zijn, iedereen ten goede komen. Bovendien kan niemand uitgesloten worden van het genot van die goederen of diensten. Een kunstzinnige stadsarchitectuur is bijvoorbeeld een publiek goed. Een theatervoorstelling niet, omdat je gemakkelijk mensen kunt uitsluiten door hun te vragen entreegeld te betalen.

Publieke goederen en diensten komen in een vrije markt moeilijk tot stand, precies omdat het nut niet kan geïndividualiseerd worden en dus niet afzonderlijk kan “verpakt worden”. De overheid kan door subsidies dergelijke publieke goederen mogelijk maken daar waar de markt dit niet doet.

Een tweede argument voor subsidies heeft betrekking op externe effecten. Podiumkunstenaars, bijvoorbeeld, experimenteren met nieuwe ideeën, nieuwe uitdrukkingsvormen en esthetische ervaringen die doorsijpelen naar de rest van de maatschappij, ook naar diegenen die nooit naar een theater gaan. Dat laatste is cruciaal. Het moet gaan om positieve effecten die ten goede komen aan de rest van de maatschappij, dus aan diegenen die geen voet in een theater zetten. In een vrije markt worden die positieve externe effecten niet beloond. De overheid kan die taak op zich nemen door subsidies.

Ten derde is er een sterk argument om jonge kunstenaars de kans te geven om zich waar te maken. In een vrije markt is dit dikwijls moeilijk. De jonge kunstenaar vindt er niet gemakkelijk de middelen om zijn/haar ideeën uit te werken. Hier ook is er ruimte voor (tijdelijke) subsidiëring door de overheid.

Cultuurbarbaren

Vermits belastingen subsidies moeten financieren, zal de overheid aan de mensen moeten vragen of ze belastingen willen betalen voor cultuur. Dat is natuurlijk een hele uitdaging. De burgers moeten overtuigd worden dat cultuur goed is voor hen. De cultuursector kan niet zomaar claimen dat ze een goddelijk recht heeft op die subsidies. Ze kan ook niet zomaar de tegenstanders van dergelijke subsidies als cultuurbarbaren of fascisten bestempelen.

De uitdaging voor de cultuursector bestaat erin de belastingbetalers te overtuigen dat cultuur goed is voor hun welzijn. Als ze daar niet of onvoldoende in slaagt,  dan moet ze niet verwonderd zijn dat de subsidiekraan wordt dichtgedraaid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234