Woensdag 24/07/2019

Column

Daar stond ik dan, met niemand meer om voor te koken

Hilde Van Mieghem. Beeld Bob Van Mol

Hilde Van Mieghem, acteur, regisseur en auteur, neemt u mee in haar leefwereld. 

Het blijft een opdracht, koken voor mezelf. Waarom weet ik niet precies. Misschien omdat mijn keuken me ­herinnert aan de tijd dat ik nog voor anderen kookte. Aan het plezier om voor de anderen iets op tafel te zetten dat ­lekker was. Want dát maakte het ­dagelijkse kokkerellen aangenaam.

Voor anderen koken, ik doe het al sinds mijn elfde. Mijn moeder zette tien jaar na mijn geboorte nog een broertje op de wereld en een jaar later nog een zusje. Godenkinderen vond ik het, die mijn leven op vele vlakken mooier maakten.

Maar mijn één jaar jongere zus en ik moesten vanaf dan wel mee het ­huishouden draaiende houden en aan de kookpotten gaan staan. En o wee als het eten aangebrand was, dan was het kot te klein, dus reken maar dat we al heel snel wisten hoe je een maaltijd op tafel kon toveren waar niets op aan te merken viel.

Koken, het is me met de paplepel ingegeven. En ik ben er ook goed in. Toen ik het ouderlijk huis uit was, deed ik het graag. Kookboeken lezen en verzamelen werd een passie. Ik hield er niet van om steeds hetzelfde op tafel te zetten, en experimenteerde er lustig op los.

Algauw liet ik de Vlaamse keuken – aardappelen, groenten en vlees of op vrijdag vis – achter me en verdiepte me in de Italiaanse, Japanse, Franse en nog vele andere keukens. Ik stoofde, stoomde en bakte als een bezetene.

Voor de anderen, altijd voor de ­anderen.

Zelf geef ik niet zo om eten. Daar bedoel ik mee: ik eet best graag, kan er ook van genieten, maar zie het toch in eerste instantie als iets wat nodig is om overeind te blijven. Ik vergeet het ook meestal en denk vaak pas om een uur of vier, vijf in de namiddag: shit, weer niets gegeten vandaag. Ik grabbel dan snel een boterham en werk verder.

Ik ben niet iemand die me ’s morgens al verheugt op wat er ’s avonds te eten zal zijn. En ik kreeg het ook vaak benauwd als de kinderen me bij het ontbijt met een verlekkerde blik ­vroegen wat ik ’s avonds ging klaar­maken. Want dat was wel het laatste waar ik aan dacht terwijl ik hun ­boterhammendoos voor op school in orde maakte.

Nog erger vond ik het dat ik mijn ­kinderen niet kon plezieren door op restaurant te gaan. Nee mama, riep de jongste dan, het is veel gezelliger om thuis te eten en veel lekkerder! Die ­jongste was in de jaren dat ik in het ­buitenland werkte en woonde zo vaak met me op restaurant geweest dat ze er niet aan moest denken om de deur uit te gaan als we thuis waren.

Dus bleef ik in de potten roeren. Voor haar.

Tot op de dag dat ook zij het huis uit ging. Daar stond ik dan, het uur van de waarheid, er was niemand meer om voor te koken. De moeilijkste uren nu ik alleen woonde, waren van zes tot acht’s avonds. De tijd dat we aan tafel gingen. Samen.

Ik wist met mijzelf geen blijf meer. In het begin bleef ik dapper verder koken. Het bereiden van voedsel heeft altijd al een rustgevend effect op me gehad. Een vorm van meditatie.

Maar dan kwam het moment dat ik het moest opeten, alleen. Vreselijk vond ik dat en mijn eten belandde vaak na enkele happen voor de neus van Mr. Wilson, mijn hondje, die het met plezier naar binnen schrokte.

Ik begon op restaurant te gaan. Al zat ik dan niet mét anderen aan tafel, ik zat wel tússen anderen te eten.

Ik mis het kokkerellen. Misschien moet ik, nu ik toch het huis aan het ­verbouwen ben, ook de hele keuken ­uitbreken en vernieuwen – ze is eraan toe – zodat niets meer me herinnert aan de tijd dat mijn hongerige geliefden lachend en kletsend aan tafel op mij zaten te wachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden