Maandag 25/05/2020

Boeken

Christophe Vekeman zet een boompje op over gender(on)gelijkheid in de letteren

Beeld Elise Vandeplancke

Zopas verscheen bij Das Mag een bundeling essays over de mannelijkheid in de letteren, samengesteld door Jan Postma: Jongens waren we. De problematische sekse in de literatuur. Want wie een blik op de literaire canon werpt, ziet dat de hoofdrollen aan mannen toebedeeld zijn. Moeten we anders beginnen kijken naar al die grote werken waarin het mannelijke personage steevast als agressief, idealistisch of geil wordt voorgesteld? Of zit er best wat rek op dat beeld? Hoe kijken mannen in tijden van #metoo eigenlijk zelf naar ‘de man in de literatuur’? We vroegen het aan Vlaams schrijver, dichter en performer Christophe Vekeman.

In 2012 gebeurde het dat een Vlaamse schrijfster boos op me was. Haar woede was in gang getrapt, vertelde ze toen wij elkaar toevallig tegenkwamen op het een of andere letterenfeestje, door de verschijning kort geleden van een roman van mijn hand, Een uitzonderlijke vrouw. Wat er precies aan scheelde, aan dat boek, en waarom zij naar eigen zeggen al dagenlang inwendig liep te foeteren op mij, wist ik helaas niet haarscherp te achterhalen, want ze kwam nogal moeilijk uit haar woorden, maar de kern van haar razernij en verontwaardiging, zoveel werd na verloop van tijd toch duidelijk, had te maken met het feit dat ik het aangedurfd had, voorwaar, een roman te schrijven vanuit een – goeddeels – vrouwelijk standpunt. Waar haalde ik als man het lef vandaan?

Ik was mij nochtans van geen kwaad bewust. In alle bescheidenheid, nietwaar, had ik gewoon getracht een boek te schrijven dat in de traditie paste, genregewijs, van Flauberts Madame Bovary, Couperus’ Eline Vere, Van Eedens Van de koele meren des doods, Van Deyssels Een liefde, Yates’ Eastern Parade, Mulisch’ Twee vrouwen, Oek de Jongs Hokwerda’s kind en andere romans die met elkaar gemeen hadden dat de schrijvers ervan pretendeerden zich succesvol te kunnen verplaatsen in hun vrouwelijke hoofdpersonage en zodoende, indirect, in vrouwen in het algemeen. Ik was altijd dol op dat soort van boeken geweest, niet zozeer daar zij de lezer iets vermochten bij te brengen aangaande ‘de’ vrouw, maar juist omwille van het omgekeerde: de schrijvers ervan plachten minstens evenzeer zichzelf in hun blote kont – en niet zelden, erger nog, in hun hemd – te zetten als dat zij hun ambitie waarmaakten om aard en wezen van hun tegengeslachtelijke protagonist te doorgronden.

Inderdaad, nooit laat de mannelijke schrijver even openhartig in zijn binnenwereld en geheime kaarten kijken als wanneer hij aan de slag gaat met een vrouwelijk schepsel. Hoe dat komt? Omdat niemand ooit zozeer zichzelf durft te zijn als degene die een masker draagt. En wie bezit er, over maskers gesproken, meer recht te beweren dat hij bezig is je reinste fictie te bedrijven, fictie, niets dan fictie, dan de uitgesproken mannelijke schrijver die een boek lang in een zijdezachte, door parfum omwolkte huid kruipt?

Het diepste, meest complete zelfportret maakt pas kans – onbedoeld – tot stand te komen als er in de wijde omtrek geen spoor van een spiegel valt te bespeuren. Getuige hiervan de gevleugelde conclusie, na gedane schrijfarbeid, van Gustave Flaubert: ‘Madame Bovary, c’est moi’.

Je est une autre,’ zou ik daar, Arthur Rimbaud parafraserend, aan toe kunnen voegen: mensen die mij het beste kennen, zijn het er roerend over eens dat Een uitzonderlijke vrouw met stip mijn meest persoonlijke boek tot nog toe is…

We zijn nu acht jaar verder, en de zaken zijn zowel veranderd als hetzelfde gebleven. Mijn collega is nog altijd boos op mij, jazeker, maar ook verscheen er bij uitgeverij Das Mag  een essaybundel die als titel Jongens waren we. De problematische sekse in de literatuur draagt. Met de sekse in kwestie werd, voor alle duidelijkheid, volgens het persbericht ‘De Man’ bedoeld, waarbij de tweede hoofdletter ironisch lijkt te knipogen naar godlof vervlogen tijden, de tijden van Nescio en Gerard Reve, om maar twee schrijvers te noemen van wie in datzelfde persbericht een titel vermeld staat. Het ‘problematische’ zit hem ondertussen, blijkt, niet langer in het feit dat mannelijke schrijvers zich soms in vrouwelijke personages verplaatsen, maar daarentegen in de gewoonte van mannelijke schrijvers om in hun boeken vooral mánnen op te voeren. En zo is het altijd wat.

Het vreemdste aan onderhavige problematisering lijkt me nog te zijn dat een en ander het dikwijls genoeg hardnekkig gerelativeerde en zelfs nadrukkelijk ontkende verschil tussen ‘man’ en ‘vrouw’ alleen maar in de verf zet en bekrachtigt. Dat Flaubert in Emma Bovary in essentie zichzelf heeft uitgebeeld, dat Eline Vere ons in staat stelt om de man Couperus te leren kennen, dat Eastern Parade van Richard Yates in gelijke mate een nauwkeurig portret van een vrouw is als een ontegenzeglijk autobiografische roman: zou het niet net koren op de molen moeten zijn van degenen die, eerder dan op het verschil, de klemtoon leggen op de overéénkomst tussen ‘hij’ en ‘zij’? En hoezo zou een vrouw geen identificatie tot stand kunnen brengen met de hoofdpersonen in Nescio’s Titaantjes, ook al begint dat verhaal met ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’? Wat wil men mij doen geloven? Dat vrouwen nimmer nostalgisch gestemd zijn? Kennen zij het fenomeen niet van teloorgegane idealen? Verschillen, met andere woorden, vrouwen dan toch echt zozeer van mannen en vice versa?

Vreemd, ik herhaal het, om de woorden ‘denigrerende onzin’ niet te gebruiken. Ik behoor tot de minst homoseksuele mensen die ik persoonlijk ken, maar dat staat mijn plezier niet in de weg wanneer ik het werk lees van Gerard Reve. Ik ben geen vrouw, maar ik smul van Een coquette vrouw van Carry Van Bruggen, dat mij een feest van zelfherkenning heeft te bieden. Ik adoreer Carson McCullers, en weet steevast het grootste leesgenot uit haar romans te puren, of zij nu kruipt in hoofd en hart van mannen of van vrouwen of van wie zich daar – niet zelden bij McCullers – tussen in bevindt. Wat ‘problematisch’?

Christophe Vekeman.Beeld Francis Vanhee

Het enige wat problematisch was, is een tijd die – althans wat de Nederlandstalige literatuur betreft – nu echt wel voorbij is. De tijd waarin de gezusters Loveling, Maria Rosseels, Ida Gerhardt, Anna Blaman, Marga Minco, Hella S. Haasse en Andreas Burnier, om een aantal nog redelijk recente schrijfsters te noemen, de uitzonderingen op de regel waren, welke regel stipuleerde dat, wars van wat het woord deed vermoeden, de ‘belletrie’ een mannenzaak was. De tijd dat vrouwen vaak de kans onthouden werd om voluit voor een loopbaan in de letteren te kiezen, met tot gevolg een overwegend mannelijke literaire canon vandaag. Maar goed, wat doen wij eraan, aan die canon? Zeurend blijven hopen op de verrassende zolderontdekking van een door een vrouw in het geniep bij elkaar gepend oeuvre dat aan dat van Hugo Claus kan tippen? Zeurend blijven beweren dat het oeuvre van Claus toch ook weer niet zo héél erg indrukwekkend is? Dat het oeuvre van Claus, mocht het door een vrouw geschreven zijn, lang niet dezelfde status zou genieten? Werken aan de toekomst door vergeefs te trachten het verleden te herschrijven? Maar waarom dan?

De tijd gaat alsmaar sneller, en de meeste ‘oude witte mannen’ die de moeite waard zijn – denk maar aan de zogenaamde ‘Grote Drie’ in Nederland – zijn enkel nog van vróéger belang en worden steeds minder gelezen. De dames, anderzijds, die een paar jaren geleden nog uit volle borst en luidkeels konden klagen dat dichteressen en schrijfsters nooit eens literaire prijzen wonnen en er systematisch al te zelden voor genomineerd werden, weten zich thans alom gefêteerd, zowel door jury’s als door het koperspubliek. Overigens, over jury’s gesproken: die van de Herman De Coninckprijs 2020 bestaat uit welgeteld vijf vrouwen, die met zijn vijven welgeteld zes bundels op de shortlist hebben geplaatst, die welgeteld alle zes van de hand van een vrouw zijn. De jury van de Grote Poëzieprijs 2020, dan weer, bestaat uit exact vijf vrouwen, die voor de shortlist vijf bundels geselecteerd hebben, waarvan er vier door een vrouw zijn geschreven. Zijn we niet op de goede weg?

Ook in prozaland is de ‘inhaalbeweging’ al geruime tijd aan de gang. Twee derde van de mensen die hun oordeelkundige talenten in dienst stellen van de Libris Literatuurprijs 2020 is van vrouwelijke kunne, net als de helft van de auteurs die een plaatsje op de longlist in de wacht sleepten en net als de helft van degenen die sinds kort de shortlist bevolken. Goed zo! Vergis je niet, immers, ik voel mij niet verongelijkt, ik klaag niets aan, ik heb het sowieso over een circus, nu, dat slechts uitermate zelden in de buurt van mijn bed zijn tenten opslaat: ook in voornoemde vervlogen tijden, waarin ‘man zijn’ onbetwistbaar nog een voordeel was in de literatuur, kon mijn eigen werk geen of nauwelijks genade vinden in de ogen van letterkundige jury’s. Ik voel me dus geenszins de lul overboord, nee, en ik zit uitsluitend, als je ’t mij vraagt, met mezelf opgescheept. Trouwens, ik heb nooit iets anders willen zijn, van kindsbeen af reeds, dan een straatarme schrijver, ik zweer het. Geen paniek, dus, geen zorg.

Maar die boosheid mag stilaan toch slijten, vind ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234