Dinsdag 15/06/2021

ColumnLize Spit

Beneden is de woede zo dichtbij gekomen, dat ze een vorm krijgt

null Beeld Damon De Backer
Beeld Damon De Backer

Schrijfster Lize Spit (Het smelt, Ik ben er niet) vertelt over haar leven.

In onderbroek en hemdje sta ik om half vijf ’s ochtends uit het raam te kijken. Er waait een gure wind, dat valt af te leiden aan de flapperende ­vuilniszakken, de straat oogt definitiever verlaten dan op zachte lockdown­avonden.

De laatste nachten word ik telkens om stipt vier uur wakker. Misschien heeft iemand in het gebouw een alarm ingesteld dat ik in mijn slaap oppik. Ik sta dan op, ­probeer mezelf in de zetel opnieuw in slaap te lezen. Dit keer werd ik tijdens het lezen opgeschrikt door een geluid van naderend kwaad in de verte, gestaag kwam het dichterbij.

Vaak sta ik achter dit raam op driehoog naar alle ­conflict te kijken dat zich op straatniveau ontrolt. De buurt is op een jaar tijd armoediger geworden, kledinggroot­handels trekken weg en maken plaats voor gadget­winkels, voor kruideniers die borden ophangen met stockfoto’s van bananen en conserven, in achter­kamers worden stiekem cafeetjes uitgebaat. Het zou ook kunnen dat ik gewoon veel vaker aan het raam sta, en ik de dronkaards en vechtersbazen nu pas opmerk, ook al waren ze er altijd al.

Beneden is de woede zo dichtbij gekomen, dat ze een vorm krijgt: een man met witte pet, hij heeft een lege fles in de hand – dik glas, daarmee slaat hij op alles wat hij tegenkomt. Hij trommelt niet vrolijk, niet zoals een kind dat nieuwsgierig is naar hoe iets klinkt. Nee, het is een ontgelden – verkeerspalen, rolluiken, voordeuren, ­elektriciteitskasten, alles moet boeten voor wat hij ­wellicht zelf misdreven heeft. De fles in zijn hand moet niet lang geleden nog gevuld zijn geweest.

Een van de buren brult vloekend van achter het rolluik waar deuken in geslagen worden. Op het balkon tegenover me ­verschijnt een halfnaakte zwarte man, hij kijkt apathisch toe hoe de woeste drummer achter de hoek verdwijnt. Het geluid sterft langzaam weg, hij sluit zijn raam en gaat weer slapen. Ik blijf alleen over.

Na een paar stille minuten nadert de witte pet weer. Hij beweegt opnieuw door onze straat, nu in de andere richting – kletter, pats, ­rinkel, pang!

Veertien jaar geleden, toen ik nog niet lang in Brussel woonde, logeerde ik vrijwel elke nacht bij mijn vriend, omdat ik het moeilijk vond om alleen te zijn. Overdag lukte dat best, we leefden symbiotisch, verdwenen in elkaar. Maar in bed sliep hij moeiteloos in, en zodra ik zijn ademhaling hoorde vertragen, welde er een ­verdrietige wanhoop in me op – daar lag ik, in de ­donkerte, aangewezen op mezelf. Ik durfde hem nooit wakker te maken, ik wilde hem niet lastigvallen. Het zou toch niets uithalen, hij kon me niet meenemen in zíjn slaap.

Ik stond dan altijd op, en ging me lichtjes theatraal gedragen, in de hoop dat hij mijn eenzaamheid toch zou opmerken. Zo nam ik vaak in het midden van de nacht een bad of ging ik in het open raam staan. Nooit werd hij wakker. Langzaam leerde ik met de paniek omgaan, mezelf te redden.

Daar denk ik aan, terwijl de man onder mij zo ­theatraal door de straat trekt. Hij vermijdt ramen, hij spaart het glas van voordeuren. Ik wens hem toe dat hij het redt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234