Donderdag 28/05/2020
'Als journalisten eens écht zouden komen kijken, dan zouden ze vaststellen dat de Dansaertstraat helemaal niet zo hip is als velen denken.'Beeld © TIM DIRVEN

PLACE DU SAMEDI

Aardige mensen hoor, hier in de Dansaertstraat. Maar zo saai als de neten

Marc Didden is schrijver en columnist bij De Morgen.

Waar ik het aan verdiend heb, weet ik niet, maar sinds ik grijze haren heb en wat moeilijk loop, kom ik eigenlijk alleen maar aardige mensen tegen. Soms zijn dat oude bekenden uit een van mijn negen vroegere levens die na een halve kop koffie alweer warme vrienden worden. Waarbij één enkele en rake opgehaalde herinnering voor een ware woordenvloed kan zorgen, soms een wat stokkende stem oplevert en heel af en toe een ware aanslag op het traankanaal veroorzaakt.

Laatst kwam ik dan weer in een boekenwinkel terecht waar ik een vrouw van mijn leeftijd tegenkwam die heel hard haar best deed om te doen alsof ze me niet voortdurend bekeek. Toen onze blikken elkaar toch even kruisten, en ik een niet helemaal geslaagde poging deed om vriendelijk te kijken, wendde ze de blik behendig af. Ik verliet even daarna het fijne pand en net toen hoorde ik die dame nog aan de boekverkoopster vragen: "Is 'm dat?"

"Ja, dat is hem", hoorde ik nog zeggen en daarna, wellicht ter controle, volgden nog mijn naam en voornaam. Ik maakte me snel uit de voeten omdat ik ook daar niet goed in ben, maar ik werd al snel bijgehaald door de vrouw, die me even vriendelijk als zedig bij de onderarmen vasthield en zei: "Mijnheer Didden, gij kunt niet geloven hoe graag ik uw stukjes in De Morgen lees."

Als zo'n wonderlijk moment me overkomt, weet ik eigenlijk nooit wat ik moet zeggen. "Ik begrijp u en u hebt volkomen gelijk!", zou wat onnozel overkomen, en "U kent er werkelijk helemaal niets van!", zou uitgelegd kunnen worden als onbeleefd. "Ik dank u zeer", zeg ik dan. Alsook "Dat doet mij veel plezier." Allebei gemeend, maar komt toch wat koeltjes over bij de bespelers der loftrompet die ik wel eens ontmoet.

Toch is het niet anders. Ik heb gewoon nooit ergens ge-leerd hoe je met een positief signaal uit het publiek moet om-gaan. Ik krijg ook wel eens een aardige brief van iemand, maar zelden vind ik dan de moed, of zelfs maar de juiste woorden om de ganzenveer boven te halen en mijn onbekende correspondent te danken voor zo'n spontane uiting van wellevendheid. Ook al ben ik daardoor in de regel zeer getoucheerd.

Zoals onlangs, toen ik met enkele mensen in een vurig gesprek was verwikkeld in een koffiehuis, en daar alweer een fijne vrouw zat die in alle stilte een piepklein briefje naast mijn espressokopje legde waarop te lezen stond: "Mijnheer, nu ik de gelegenheid heb: heel erg bedankt voor de vele uren lees-, kijk- en luisterplezier." En dan in de rechterbenedenhoek: een mooie, elegante voornaam.

'Beter wordt het niet', denk ik dan, op weg terug naar huis, en meteen besluit ik in het vervolg wat dankbaarder te zijn tegenover al die aardige mensen die mij en mijn steeds meer krommende rug ongevraagd van een schouderklopje voorzien.

Nog geen honderd meter verder landinwaarts slaat de existentiële twijfel weer toe en ben ik er alweer voor 150 procent van overtuigd dat niemand ooit écht leest wat ik of iemand anders hier of elders neerschrijft. Duizend woorden, weet je wel, zijn er 990 te veel in een wereld waar de wet van de 140 tekens geldt. Wat wel eens tot moedeloosheid leidt. Niet dat het bij de échte media zoveel beter is.

Dat denk ik terwijl ik lees, hoor en zie dat er een zogenaamde modeoorlog aan het woeden is in de buurt waar ik woon. En moet vaststellen dat zowel serieuze kranten als befaamde duidingsprogramma's als Terzake daar uitgebreid aandacht aan besteden terwijl die modeoorlog niet eens bestaat. Het gaat hier hoogstens om de misschien wel begrijpelijke belangen van één of twee betere kledingzaken, die toch een beetje bang lijken dat er straks ook arme mensen door de Antoine Dansaertstraat zullen lopen, en dat de gezellige dorpssfeer er zal verdwijnen, ook al is die er al lang niet meer.

Vergelijk het met de angst van de mensen in Brasschaat die bang zijn dat daar ooit een tram zal rijden, en ze verplicht zullen zijn om toch één keer een allochtone medemens van dichtbij te bekijken. Ergerlijk is ook dat de moedige oorlogscorrespondenten die over dat helemaal opgeblazen modeconflict rapporteren, het alsmaar blijven hebben over de 'hippe Dansaertstraat'.

Indien ze die stukken nu eens niet louter vanachter hun computer zouden schrijven, maar eens écht ter plekke kwamen kijken, dan konden ze vaststellen dat die bewuste Dansaertstraat, die een kleine kilometer lang is, helemaal niet zo hip is als men wel wil denken. Bij het begin van de straat, aan de Beurskant, en waar ze eigenlijk nog Auguste Ortsstraat heet, vind je twee fastfoodzaken, een hotel of twee, een volkscafé, een koffiebar, een schouwburg en een kledingzaak voor bakvissen. Wat verderop: een apotheek, een jazzclub waar zelden jazz klinkt, een fitnesscentrum, een tapasbar, een bakker, een uitstekende boekhandel en dito lingerieshop. Ten slotte nog een stuk of wat eethuizen, een kapper en een opticien.

En ook nog flink wat banale boetieks, duffe bijhuizen van pseudohippe kledingketens die je tussen Helsinki en Porto werkelijk overal vindt. Daarna volgt een strook van honderd meter met veel woongelegenheid, een mediaschool en inderdaad ook wat exclusieve modezaken. Waarna voor het grootste deel, tot aan het kanaal, het voorgeborchte van Molenbeek toeslaat: veel leegstand en pita- en kebabzaken, winkels met nagemaakte namaak-T-shirts, nog een apotheker, een leuk café, een schimmige pizzeria, een even schimmig jeugdhonk, een winkel voor Afrikaanse haarextensies en een nachtwinkel of drie. Op de absolute schaal van hipheid zou ik zeggen: 6/10. Niet de moeite om erover te spreken - en al zeker niet op Terzake. Aardige mensen hoor, hier in de Dansaertstraat. Maar zo saai als de neten.

Inmiddels is het wachten op de weldadige effecten van het nieuwe mobiliteitsplan voor Brussel Centrum dat bedacht is door politici die natuurlijk buiten het centrum wonen. Straks klinken dan wel de rupsbanden van de graafmachines die de grote werken aan enkele pertinent nutteloze parkings gaan aanvatten. Mij kan het niets meer schelen. Laat ze maar doen, al maken ze van heel Brussel Centrum een bijhuis van Plopsaland. Als het mij hier te bar wordt, ga ik wel in Bornem wonen. Of in Bos-ton. Of in Buenos Aires. Als het maar met een B begint, want een mens moet ook op gevorderde leeftijd toch nog een paar principes overhouden.

Verder heb ik nog een kleine dienstmededeling: de stadskernvernieuwing die mijn ge-liefde Brussel overkomt, heeft nu ook de Place Du Samedi bereikt. Daarom zal die vanaf volgende week en voorgoed voor alle verkeer gesloten worden, ook dat van de gedachten. Ja, ik weet het, ik druk me af en toe wat ongelukkig uit, maar wat ik eigenlijk wil zeggen is dat ondertekende - die van dat lelijke fotootje hierboven, ja - even behoefte heeft aan een lange vakantie. Als u toevallig Karel De Gucht heet, of zelfs maar Leo Delcroix, dan wil ik uw buitenverblijf in het zuiden graag enkele weken warm houden tot de wereld hier helemaal stilvalt. Ik ben bovendien redelijk proper op mijn eigen, en mijn vrouw al zeker.

Hasta la vista, allemaal. U was een erg fijn publiek.

Marc DiddenBeeld Karoly Effenberger
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234