Zondag 08/12/2019
Hannelore Bedert: ‘Plots waren de vrouw van Christophe Lambrecht en ik lotgenoten. Jonge weduwen, dat schept een band.’

Interview Hannelore Bedert

‘Zijn falend hart heeft onze dochter gered’: Hannelore Bedert (35) verloor haar man Stijn

Hannelore Bedert: ‘Plots waren de vrouw van Christophe Lambrecht en ik lotgenoten. Jonge weduwen, dat schept een band.’ Beeld Stefaan Temmerman

Ze heeft nog geprobeerd hem te reanimeren, maar het was tevergeefs. Hannelore Bedert (35) en haar twee kinderen moeten sinds februari verder zonder man en papa Stijn. ‘Het is niet dat ik een relatie mis. Ik mis die knuffel.’

Over deze reeks

In een reeks interviews praat columnist Mark Coenen over leven en overleven met mensen die onlangs met verlies werden geconfronteerd. Vandaag: zangeres en schrijfster Hannelore Bedert verloor haar echtgenoot Stijn door hartfalen. 

‘Dit was de afspraak niet.’

Zo begon het Facebook-bericht van Hannelore Bedert waarin ze de dood van haar man Stijn meldde. Het bericht eindigde met #merciStijn. Sindsdien sluit ze elk bericht zo af. #merciStijn.

Haar man stierf op 17 februari: totaal onverwacht, zoals dat heet. Ze kwam thuis van een concert en hij viel dood. Hij had het syndroom van Brugada, een erfelijke aandoening van het hart. ‘Met een verhoogd risico op plotse hartdood’, zo staat het beschreven.

Naast zingen over weemoed en weltschmerz en wat dat allemaal doet met een mens, schrijft Bedert ook. En hoe: haar eerste roman Lam won laatst de publieksprijs van de Bronzen Uil. Op de flap lees ik: ‘Mooi om lezen: een vrouw die, murw geslagen door het leven, haar lot in eigen handen neemt.’ Dat doet Hannelore na de dood van Stijn ook.

Stijn Sterckx. ‘Zijn falend hart heeft onze dochter gered’, zegt Hannelore . Beeld RV

Over hoe de weemoed waarover ze zingt plots keiharde werkelijkheid werd, daarover gaat dit gesprek.

Hannelore Bedert: “Stijns broer had tien jaar geleden een hartaanval, waarna de hele familie getest werd. Stijn was ook drager van het syndroom, maar bij hem hadden ze gezegd: totaal geen risico. Hij had ook nog geen enkel symptoom gehad. Stijn was sportief, in topvorm. Elk jaar deden ze een nieuwe test. Een defibrillator was niet nodig voor hem.

“Het was dus wel nodig.

“Achteraf weet je natuurlijk niet of hij gestorven is aan de gevolgen van Brugada of aan een ander hartprobleem, maar toch.

“Ik heb nog vanuit de wagen met hem gebeld. De week ervoor was ik lastiggevallen hier op straat en Stijn had gezegd: ‘Ik blijf wel wakker, bel maar als je er bijna bent.’

Ik heb hem nog gehoord aan de telefoon, niets aan de hand. ‘Ik ben nog wakker, ik zit nog wat tv te kijken.’

“Ik parkeer voor de deur, doe de deur open en ik hoor hem vallen. Overal bloed. Ik ben meteen gaan reanimeren. De man van de noodcentrale zei: ‘Ik zal aan de lijn blijven, en mee tellen.’ Hij herkende ook het geluid dat Stijn aan het maken was: ‘Dat is een hartstilstand’, zei hij. Een soort luid snurken, de lucht die ontsnapt uit de keel terwijl je aan het reanimeren bent. Waardoor je denkt: hij ademt nog. Maar hij ademde niet meer.

Hannelore Bedert

• geboren in Deerlijk op 20 maart 1984 • singer-songwriter, schrijfster en columniste • verloor in februari haar man Stijn na een hartstilstand • richtte samen met Stijn en het Wereld­natuurfonds het kinderproject Radio Oorwoud op • woont in Gent met haar twee kinderen Hoppe (9) en Polly (3)  

“Ik heb echt nog geprobeerd om hem te redden. Je doet dat gewoon, je staat nergens bij stil. Die handeling om een hart te reanimeren gaat volautomatisch, gelukkig. Maar het was te laat.

“Ik denk nu: ik ben echt blij dat ik dat heb kunnen proberen. Ik heb het moment van zijn dood bijna live meegemaakt. Je ziet heel snel dat iemand dood is.”

“Het was midden in de nacht, ik moest lang rondbellen om vrienden te vinden die nog wakker waren. Plots stond het huis ook vol politie. Er waren toen al twee vrienden. De politieman zei, een beetje suggestief: ‘Mevrouw, we weten dat het raar klinkt, maar uw man is overleden, uw kinderen slapen en er staan hier twee jonge mannen in huis.’

“Als je man ’s nachts sterft en je bent met hem alleen, wordt dat beschouwd als een verdacht overlijden, tot de spoedarts zegt dat het dat níét is. Ik snap dat, die mensen doen ook maar hun job, maar ik dacht: ik zit hier in een hele slechte film.

“De man van Slachtofferhulp zei dat de kinderen Stijn nog moesten zien, voor hij weggehaald zou worden. En die lag daar nog onder het bloed. De papa van mijn dochter van drie en mijn zoon van acht. Toch heeft dat mijn zoon wel geholpen.

“Je vraagt je af hoe je dat dan doet. Hoe je dat zegt. Hoppe vroeg laatst hoe ik het hem verteld had. ‘Papa is gevallen, heeft iets aan zijn hart gekregen en is daaraan gestorven.’ Dat kwam er precies uit alsof ik brood aan het bestellen was, heel raar.

“Polly zegt: ‘Papa werd met een zwarte zak weggebracht.’ Je zit op dat moment in een hele rare modus.”

‘Als ik één hartaanval kan voorkomen door te blijven spreken over reanimatie, is het mij dat waard.’ Beeld Stefaan Temmerman

Dat is misschien maar goed ook. Het is een soort adrenalineshock.

Hannelore Bedert: “Ik dacht de hele tijd: wat moet ik nu doen? Hoppe moet straks naar de scouts, er logeert een neefje, dadelijk worden de kinderen wakker. Ik kon ook niet wenen.

“In de vroege ochtend belde ik iedereen op, zijn broers, zijn ouders. Op automatische piloot. Toen Christophe (Lambrecht, red.) drie maanden later stierf, werd ik opgebeld door een vriendin die Christophe ook goed kende. Ze zei: ‘Ik wil dat je het weet voor het in de media komt.’ Mijn eerste reactie was: ach, zijn vrouw. Plots waren we lotgenoten. Lid van een club waar je geen lid van wilt zijn. We hebben nu ook contact met elkaar. Jonge weduwen: dat schept een band.”

Toen ik in de zomer op het idee kwam om deze reeks te maken, was Anda, de vrouw van Christophe, de eerste aan wie ik dacht. Ze zei meteen ja. Zij wil blijven praten over Christophe, daardoor blijft hij nog een beetje leven.

“Als ik één hartaanval kan voorkomen door te blijven spreken over reanimatie en hartmassage, dan is het mij dat waard. Ik heb ook geleerd dat je door open te zijn veel mensen aanspreekt. Het is oké om je kwetsbaar op te stellen. Stijn zei ook altijd: ‘Dat is uw troef.’ Mensen appreciëren het dat je eerlijk bent en durft toe te geven dat het niet gaat en dat het pijn doet.”

Kwetsbaarheid is de nieuwe kracht, zou je bijna denken. Vijf jaar geleden zou dat niet gepakt hebben.

“En je geeft ook maar prijs wat je wilt prijsgeven.

“Ik was mijn tweede boek al aan het schrijven toen Stijn stierf. Het gaat over een man wiens vrouw plots sterft en die achterblijft met twee kindjes. Het eerste hoofdstuk gaat over de begrafenis, en de weken daarna. Als ik dat nu herlees, denk ik: het is net alsof ik het wist. Alles wat ik in dat boek beschrijf, heb ik de laatste maanden meegemaakt.

“Het boek afwerken is moeilijk. Ik schrijf heel graag als ik mij kan verplaatsen in een ander personage, maar nu komt dat veel te dichtbij.”

‘Ik kan nu soms naar koppels zitten kijken en denken: wees nu toch eens wat liever tegen elkaar, ge hébt elkaar nog!’ Beeld Stefaan Temmerman

Je eigen dode is een personage geworden in je boek: dat is geen fictie meer, maar non-fictie. Dat is een gigantisch verschil.

“De man in het boek werd ik. De kinderen in het verhaal werden mijn kinderen.

“Ik schrijf graag over wat mensen elkaar aandoen, hoe relaties kunnen foutlopen, wat er gebeurt als je afscheid neemt. Maar doodgaan, daar heb ik niet zoveel ervaring mee. Daar hád ik niet zoveel ervaring mee, tenminste.

(stil) “Ik praat nog heel vaak in de tegenwoordige tijd: Stijn is. Niet Stijn was. Dat is heel raar. En ik denk ook: het is nog maar negen maanden geleden. Dat is niets.”

Het eerste jaar doormaken, van verjaardag naar verjaardag, zonder de geliefde: dat is een hels traject.

“Wij waren alle twee zeer gehecht aan vrienden en familie, hielden veel etentjes: gezelligheid, lachen. Er was heel veel volk dat langskwam, de eerste weken na zijn dood. Ik verbaasde mij daar een beetje over.

“Een vriend zei: ‘Dat is toch logisch, je oogst wat je zaait, zowel jij als Stijn waren er altijd voor ons. En nu zijn we er voor jullie.

“Op de begrafenis was zoveel volk. Ik heb toen ook tegen Stijn gezegd: ‘Je moet je niet schuldig voelen over je dood, of over ons huis dat niet af is.’ We hebben genoten, Stijn heeft van het leven genoten tot zijn laatste seconde.

“Op dat moment zijn vele mensen wel gaan nadenken over hoe zij met hun vrienden en geliefden omgaan. Ik denk dat Stijn daar ook fier op zou zijn: ‘Kijk eens wat ik op mijn manier heb veroorzaakt.’ Je merkt dat hij zoveel indruk gemaakt heeft, bij zoveel mensen, op zoveel plaatsen.”

Stijn was een soort van punkrocker, ook.

“Mocht Stijn mij niet gekend hebben, hij zou mijn muziek nooit opgezet hebben, zei hij wel eens. ‘Gaat gij dan maar naar Groezrock’, zei ik dan. Ik ben ooit een keer meegeweest naar zo’n concert: de warmte die daar hangt, de vriendschap, die is ongelooflijk.

“Wij hadden ook aparte vriendengroepen, die soms niets met elkaar te maken hadden. Maar uiteindelijk kwam alles weer samen bij ons. Dat was de kracht van onze relatie: wij twee zijn samen, wat er ook gebeurt. Onze basis zat goed. Ik werd met al mijn emoties wel eens verliefd op iemand anders, maar ik kon dat tegen hem zeggen. Hij had het ook altijd meteen door. Hij gaf mij ook zoveel vertrouwen; mijn vriendinnen waren daar jaloers op.

“Wat ik ook mis: zijn rust. Er is – dat klinkt heel melig want ik geloof in niets meer – een soort van positivisme van Stijn achtergebleven. Ook in mij.”

‘Ik wil ook gewoon lachen en vrolijk zijn. Daardoor denken de mensen snel dat alles oké is.’ Beeld Stefaan Temmerman

Als je dat gevoel kunt houden, is dat fantastisch.

“Hij had ook slechte kanten, hoor. Maar die waren, als ik dat nu bekijk, totaal verwaarloosbaar. Hij kwam altijd te laat en vergat altijd zijn gerief: dat was het ongeveer. En hij maakte soms wat scherpe mopjes. Bij mij gaan ze later meer slechtere kanten kunnen opsommen.” (lacht)

Wat je ook gelooft of niet gelooft, de energie van de mens gaat niet weg: alles wat ooit geleefd heeft, zweeft hier nog ergens rond.

“Ik kan niet kwaad op hem zijn; hij is niet zelf vertrokken, hij wilde niet weg. Totaal niet. Hij had die erfelijke ziekte. Twee weken voor Stijn stierf, moesten we met Polly naar de spoed. De artsen dachten dat ze koortsstuipen had. Nee, zei Stijn, ze heeft ook Brugada.

“Na Stijns dood heb ik de kinderen ook laten checken en twee weken later kreeg Polly al een defibrillator ingeplant. Op de 17de is Stijn gestorven, maar op de 18de is Polly gered, denk ik nu.

“Had ik toen geen actie ondernomen, dan was ze ook dood geweest. Dat is een kleine troost: eigenlijk heeft Stijn Polly gered. Haar pacemaker neemt 5 procent van de hartfunctie over. Simpel uitgelegd: als ze slaapt, denkt haar hart: o, ik moet niet meer kloppen. Die pacemaker redt haar dan.

“Twee dagen later was ik jarig en zat ik op intensieve, met zo’n mondmaskertje op. De verpleegsters kwamen de kamer binnen met een taartje. Geweend dat ik heb.”

Een geluk bij een groot ongeluk.

“Tijdens de eerste fase van dat hele rauwe verdriet was ik bezig met de gezondheid van mijn kind: dat heeft mijn verdriet voor Stijn wat uitgevlakt. Mijn zoon heeft de ziekte ook, maar bij hem hebben ze nog geen defibrillator ingeplant, omdat hij ook geen symptomen heeft. De redenering is: zijn hart is nog zo jong – 32 jaar jonger dan dat van zijn vader – en met het plaatsen van een defibrillator maken we van hem zijn hele leven lang een hartpatiënt. Je kunt niet meer terug. Bij Polly wist ik: het moet.”

Je bent nu even gestopt met zingen en concerteren.

“Ik neig naar: nooit meer. Ik heb het op dit moment heel moeilijk om mensen een leuke avond te bezorgen en tegelijk mijn kinderen van school te laten halen en door iemand anders in bed te laten leggen. En ik was al aan het twijfelen. Ik hoor Stijn zeggen: dan is het nu misschien het moment. En nu hebben de organisatoren nog begrip voor mijn situatie, dat maakt het makkelijker.

“De afgelopen twee jaar vroeg ik mij af: waarom doe ik dat allemaal? Stijn zei dan altijd: ‘Allee jong, er zijn er die geld zouden geven om te mogen doen wat gij doet.’

“Het moment dat ik aan het spelen was, was ik dan wel gelukkig. Ik heb ook geen olifantenhuid. Al weet ik dat je je niets moet aantrekken van zure reacties, ik doe dat toch.”

‘Eén ding is zeker: dit is niet het leven dat ik voor ogen had.’ Beeld Stefaan Temmerman

Wij zijn vooral gefocust op het negatieve. Terwijl je een heel mooie roman geschreven hebt en vijf sterren krijgt bij een nieuwe plaat.

“Met een boek is dat anders: de prestatie is al geleverd. Maar elk concert is opnieuw beginnen. En dat gaat dan soms fout. Die MIA-feestjes ook: ik voelde mij daar niet op mijn plaats, terwijl Stijn dat leuk vond, die kon daar mee lachen. Ik kan ook niet goed de schijn ophouden.”

Die feestjes zijn alleen maar galm. En als je je naar je job moet slepen, dan ben je niet goed bezig. Maak je al opnieuw muziek?

“Die piano gaat nog niet veel open. Ik speel ook mee in Radio Oorwoud, een kindervoorstelling. Ik moest onlangs nog eens invallen – omdat mijn invalster niet kon – en ik voelde wel dat dat mij goed deed. Meer omdat ik die mensen al zolang ken, dan omdat ik weer op een podium stond. Toen ik daar aankwam, begon ik te wenen. En die mensen snappen dat.”

Ik kan me voorstellen dat je ‘Afspraak’ (‘Dit was de afspraak niet, dit verdriet is te groot’) niet kunt zingen zonder in stukken te breken. Ook in die nummers lijk je op een vreemde manier te voorspellen wat er gebeuren zou.

“Misschien wordt dat op een bepaald moment opnieuw helend, wie weet. Zoals ik het nu begin te voelen: zorg wat meer voor jezelf, je hebt nu negen maanden na elkaar voor de kinderen gezorgd. Slaap genoeg, ga niet om half twaalf nog de boterhammen voor de kinderen smeren. Ga met vrienden uit, zit er niet mee in dat er een babysit komt.”

“Wie weet lukt het over een paar jaar weer met die muziek, als de kinderen wat groter zijn.”

Nick Cave vertelt over de dood van zijn zoon in het theater en in zijn muziek. Dat kan ook.

“Het is zijn manier om met dat verdriet om te gaan. Ik kan dat nog niet. Ik merk dat mijn stem ook niet wil. Je stem is een spier, mijn stembanden beginnen te trillen als ik over iets zing dat te dichtbij komt. Misschien moet die spier ook nog wat langer rusten.”

Kun je je er de hele tijd van bewust zijn dat hij er niet is? Daar word je toch gek van?

“Ik vond het na de eerste zes maanden heel moeilijk. Plots moest ik in jaren gaan spreken. Geen maanden maar een half jaar. Ik was op reis met vrienden en ben met de kinderen alleen verder getrokken. Ik wilde ademruimte, plaats voor mijn verdriet. Ik kan nu vaak, na een hele dag iets anders doen, thuiskomen en denken: allee jong, ik ben de hele dag niet bezig geweest met Stijn. Dat dat kan, dat is wel een opluchting, hoor.”

Het leven neemt het over. Daar zorgt de natuur dan weer voor.

“Of ik ooit nog gelukkig word, weet ik niet, maar waar ik soms echt kwaad om kan zijn, is het verdriet van de kinderen. Zij zijn hun vader kwijt. Dat zij hem zo kort hebben gekend... Dat is misschien nog pijnlijker dan mijn eigen verdriet.

“Ik ben mijn klankbord en mijn beste maatje kwijt, maar hopelijk vind ik mijn weg wel. Of het nu alleen is of met z’n tweeën. Maar de kinderen hebben maar één vader. Ik kan keihard mijn best doen om de beste ouder te zijn die ik kan zijn, maar ik kan de vaderrol niet overnemen, niet de plaats van Stijn innemen.

“Na de afscheidsceremonie van Stijn voelde ik mij zo verschrikkelijk alleen. Vrienden zagen elkaar terug, een knuffel, een glas. Gelach. Iemand die zei: ‘Het komt in orde.’ En ik kon alleen maar denken: maar ik sta hier helemaal alleen! Dat is taai, hoor. En ik wil langs de andere kant ook niet altijd de weduwe zijn. Ik wil ook gewoon lachen en vrolijk zijn. Daardoor denken de mensen snel dat alles oké is. Wat ook niet waar is.”

‘Stijn had ook slechte kanten, hoor. Maar die waren, als ik het nu bekijk, totaal verwaarloosbaar.’ Beeld Stefaan Temmerman

Je wilt dat mensen meedenken met je verdriet en dat doen ze niet altijd. Velen vinden dat je na een paar maanden de draad weer moet oppakken, alsof er niets gebeurd is.

“Je moet zelf de regie houden. Ik merk tot mijn frustratie dat niet iedereen op dezelfde manier kan en wil reageren. Terwijl ik denk: je moet er gewoon zíjn. Als er ooit een handleiding geschreven wordt over rouw, dan moet ‘wees aanwezig’ de eerste regel in dat boek zijn. Al is het met een bord soep.

“Sommige mensen, vrienden zelfs, hebben zich hebben afgekeerd, zonder uitleg. Dat doet pijn. In hopelijk het zwaarste jaar van mijn leven ben je er niet. Zonder uitleg. Dat versta ik niet goed. Ik zit anders in elkaar, ik zou er wel voor iemand zijn.”

Je hebt wel minder last van sociaal wenselijk gedrag. Lucia, het hoofdpersonage uit Lam, heeft dat wel: ‘Ik zei als men mij vroeg hoe is het goed. En dikwijls héél goed.’ Dat moet jij niet meer. Je wordt meer jezelf.

“Alles wordt op scherp gesteld. Doodgaan is een harde levensles. Ik ben er wel tien jaar ouder door geworden. Ik kan nu soms naar koppels zitten kijken en denken: wees nu toch eens wat liever tegen elkaar, ge hébt elkaar nog! Of mensen die een heel uur op hun gsm staren en geen woord tegen elkaar zeggen.

“Ik weet wat het is om een gelukkige relatie te hebben. Ik ben verwend geweest: een relatie kan ook makkelijk zijn. Vanaf het eerste moment zat het juist met Stijn. Hoe dikwijls denk ik niet, als mensen klagen over hun relatie: je bent de juiste nog niet tegengekomen. Maar ik denk ook: het gaat toch niet zo zijn dat er maar één man is met wie ik gelukkig kon worden, en die is al vertrokken? Ik wil dat mijn kinderen later kunnen zeggen dat ze een gelukkige mama hadden. Kinderen mogen het ongeluk van hun moeder niet meedragen.

“Je leert gelukkig ook snel bij. De weekends waren het moeilijkst, nu zorg ik dat we iets te doen hebben. Die eerste maanden dacht ik: gezellig, wij met zijn drie. Maar dat was juist heel confronterend, omdat we daarvoor met vier waren.

“Ik ben het gelukkigst als ik afleiding heb, en de kinderen ook. Mijn band met de kinderen zal sowieso altijd heel sterk zijn. Anders dan wanneer we nog met twee zouden zijn geweest.

“Mijn schoonfamilie is een droom. Mijn schoonouders zeiden in de zomer: als je een nieuwe vriend hebt, willen we wel dat je hem aan ons komt voorstellen, met de kinderen erbij. Chapeau hoor, want zij zijn wel hun oudste zoon kwijt.”

Je schreef toen Stijn stierf op je Facebookpagina: ‘Dat was de afspraak niet.’ Maar er valt helemaal geen afspraak te maken over doodgaan.

“Terwijl je wel afspraken maakt over uit elkaar gaan: we gaan dat proper doen. Of we gaan dat niet doen. Je maakt geen afspraken over wie er eerst mag of moet doodgaan. Waar ik nog altijd blij om ben, is dat we door stomweg naar een tv-programma te kijken tegen elkaar gezegd hebben: ‘Mocht een van ons doodgaan, dan moet de ander gelukkig worden met iemand anders.’ Dat zei Stijn tegen mij. Ik zei: ‘Oké, maar als ik dood ben, niet te rap, hè. (lacht)

Een nieuwe partner is eigenlijk een compliment voor je vorige partner: om volledig te zijn, heb je een soulmate nodig.

“Er zijn mensen die na hun verlies heel snel opnieuw beginnen met iemand anders. Mag het even? Na wat we hebben meegemaakt? Blijkbaar moet je heel lang afzien en er grauw uitzien. Terwijl mensen niet weten hoe vaak ik zit te bleiten als de kinderen naar bed zijn.

“Ik heb toch niets verkeerd gedaan, ik heb dat toch niet over mij afgeroepen? Ik mag toch nog wel content zijn? Ik mag toch lachen? Zelfs de slappe lach krijgen?

“Toen Polly in het ziekenhuis lag, op intensieve, met allemaal buisjes en piepende apparaten, kwam mijn broer langs, het was mijn verjaardag. Hij moest mij zeggen dat ook mijn vader in de kliniek lag, met een hersenbloeding. Ik heb toen gewoon de slappe lach gekregen. Het was te veel tegelijk.

“Ik denk niet dat ik iets zou kunnen hebben met iemand die nog niets heeft meegemaakt. Een afscheid, je moet weten wat dat is. En Stijn zal er altijd zijn. Ik ga zijn foto’s niet wegdoen.

“Ik heb twee weken geleden zijn plooifiets verkocht. Na heel lang twijfelen. Die fiets, dat was Stijn. Telkens als ik de deur opendeed, ook na zijn dood, dacht ik een fractie van een seconde: ah, Stijn is al thuis. Dat gevoel wilde ik niet meer. Omdat hij nooit meer thuis zal zijn.

“Hoe langer het geleden is, hoe blijer ik ben dat ik verder wegraak van het moment dat het gebeurde. Als ik nu in de krant lees over iemand die gestorven is bij een verkeersongeval, is het enige wat ik kan denken: ocharme die familie. Weer een gezin aan flarden.

“Ik ben nu ons huis aan het afwerken, we waren al zo lang aan het verbouwen. Dat helpt ook. Ik werk af wat we samen ooit gestart zijn. Ik wil hier ons nestje hebben. En omdat het huis zo veranderd is, heb ik niet meer constant het gevoel dat ik hem tegenkom. Ik heb ook snel al zijn kleren opgeruimd. Wat ben ik met een schuif vol boxer-shorts? Stijn was zo aanwezig.”

Met twee ging alles beter.

“Hij was mijn klankbord: dat was voor mij het belangrijkste. En dat is weg. Ik babbel nog wel eens tegen hem maar hij zegt niets terug. Ik hoor hem nog vaak in mijn hoofd, zonder dat ik letterlijk zijn stem hoor. Soms denk ik: we zien wel.

(stil) “Nu is alles nog Stijn.

“Het is niet dat ik een relatie mis. Ik mis een knuffel. Een mens heeft aanraking nodig. Huidhonger, het is een woord dat ik niet kende voor ik weduwe was. Wees toch niet bang om te dichtbij te komen bij iemand die verdriet heeft. Die mens zal zelf wel zeggen of het past of niet.

“Iemand vertelde me: ‘Als je je kind verliest, dan stopt het leven. Maar als je je partner verliest, dan verlies je je identiteit.’ Dat laatste klopt helemaal bij mij. Ik vraag mij soms af: wie ben ik nog? Niet meer het lief van Stijn. Wel moeder van zijn kinderen. Die veertien jaar samen met hem, die mij zo gevormd hebben, zijn in één klap weg. Wie ben ik als persoon in mijn eentje? Dat moet ik nog uitzoeken, voor ik aan een volgende fase begin.

“De vraag is ook: vanaf wanneer mag je aan een weduwe vragen of ze een koffie wil gaan drinken?

“Ik ga daar nog even over doen, denk ik. (lachje)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234