Donderdag 14/11/2019

interview

Yves Desmet praat met René Redzepi van Noma, de extreemste chef ter wereld

Noma 2.0 René Redzepi Beeld RV/Ditte Isager

Het minst evidente kookboek van het jaar wordt ‘Noma’s handboek voor fermenteren’, geschreven door chef René Redzepi, die volledig in de ban is van het koken met bacteriën. We zochten hem op in Kopenhagen. Want zelf is hij klaar met reizen, dat weet hij wel zeker: “Ik wil hier nog zo weinig mogelijk weg”.

Nasuf, de neef met wie René Redzepi als jongetje in Macedonië opgroeide, haalt de dweil door de wachtlounge. Hij is al een jaartje in de stad, op zoek naar een beter leven. Bij Noma, vier keer tot beste restaurant ter wereld uitgeroepen, ­werken ondertussen 90 mensen met ongeveer evenveel nationaliteiten. Als er ergens open grenzen bestaan, dan is het wel bij de kok die zoon is van een Macedonische afwasser die de Balkanoorlog ontvluchtte, en een Deense kassabediende.

René Redzepi: “Ik ben door mijn afkomst betrokken partij, maar de wereld zou een betere plek zijn als alle deuren openstonden, en iedereen zijn leven kon opbouwen waar hij wilde, met respect voor alle anderen. Maar helaas zit het iets ingewikkelder in elkaar. Veel mensen hebben angst voor de ander, voor nieuwe culturen, opvattingen en religies, en dat is ook een menselijke reflex. Dat maakt het zo moeilijk. Stop er dan nog de menselijke zwakheden bij en je krijgt een explosieve cocktail. Ik ben nog zo naïef te denken dat je mensen in nood toch moet helpen, maar ik begrijp ook wel dat je niet iedereen kan opvangen. En toch, als kind van een vluchteling die hier zijn leven heeft kunnen opbouwen, zijn liefde heeft gevonden en die hier vorig jaar overleden is…

“Weet je, wat ik ergerlijk vind is het nu heersende idee dat vluchtelingen alleen maar welkom zijn als ze de klussen willen opknappen die wij niet meer willen doen. Kijk, je bent ergens welkom of je bent het niet. Hoe meer je mensen vertelt dat ze eigenlijk fundamenteel anders en zelfs minder zijn, hoe meer ze zich zullen opsluiten in hun cultuur – het enige wat hen dan nog waardigheid geeft. En hoe moeilijker de integratie zal verlopen. Ach, het zal ons nog wel een paar decennia kosten om hieruit te geraken. Maar zolang politici verkiezingen winnen door de problemen uit te vergroten in plaats van door ze op te lossen, zal het ­moeilijk blijven. Een beetje meer pragmatisme en wat ­minder extremisme aan beide kanten zou toch beter zijn.”

Wie is René Redzepi?

geboren op 15 december 1977 in Kopenhagen / groeide op met een vader die taxichauffeur was uit de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië, en een Deense moeder die werkte als schoonmaakster / had het moeilijk op school, vond zijn roeping toen hij bij chefs als Thomas Keller en Ferran Adrià (El Bulli) ging werken / begon in 2003 met Noma en kreeg in 2010 wereldwijde roem, toen Noma tot beste restaurant ter wereld werd bekroond. Dat gebeurde ook in 2011, 2012 en 2014 / landde met Noma in februari op een nieuwe locatie in Kopenhagen, na pop-ups in Mexico en Japan getrouwd en vader van drie dochters 

Noma sloot een jaar de deuren. Met de hele ploeg trok men naar Japan en Mexico voor pop-upavonturen, terwijl op het thuisfront het nieuwe Noma werd gebouwd, iets verder van de stad, op het schiereilandje van de Vrijstad Christiania, nog steeds een bolwerk van anarchistische krakers. Voor een chef met een behoorlijk punkrockgehalte niet eens een onlogische plek.

Redzepi: “We waren een paar jaar terug op zoek naar een leuke plek voor ons jaarlijks personeelsfeest, en onze manager was tijdens een fietstochtje voorbij een verlaten munitiemagazijn uit de Tweede Wereldoorlog gereden, en dat leek hem wel wat. Ik had hem ook verteld dat ik verder uit het centrum weg wilde, dat ik het daar beu was, omdat het te beklemmend begon aan te voelen. Er was geen fysieke ruimte meer om nieuwe dingen te doen, en dus ook geen mentale ruimte. Dat kwam als een schok voor de zakelijke ploeg, want alles draaide qua omzet eigenlijk heel goed. Maar ik droomde van veel meer ruimte voor onze keukens, een grote stadstuin om zelf onze kruiden en groenten te kweken, plek voor een terras, een apart hok voor de barbecue, noem maar op.

Noma 2.0, afgelegen, maar toch op slechts vijf minuten fietsen van het centrum van Kopenhagen. Beeld RV/Ditte Isager

“Uiteindelijk is het feestje hier nooit gehouden, maar ­zitten we hier nu wel. Het was een complete ruïne, volledig overwoekerd door onkruid, vol met graffiti en achtergelaten drugsnaalden, het was echt liefde op het eerste gezicht. (lacht) We hebben nu 6.000 vierkante meter moestuin, twee serres, een groot magazijn voor onze fermentatiekeuken, ons personeelsrestaurant, onze testkeuken en onze ­eigenlijke restaurantkeuken: dat is luxueus veel ruimte op vijf minuten fietsen van het centrum van de stad.”

Het sabbatjaar werd ook gebruikt om een boek te schrijven, ‘Noma’s handboek voor fermenteren’.

“We zijn al jaren bezig om met die eeuwenoude technieken te experimenteren. In zowat al onze gerechten zit een of ander gefermenteerd ingrediënt. Dat kan een azijnsoort zijn, die we van tientallen vruchten en groenten maken, of een ­misopasta die we als basis voor bouillons of sauzen gebruiken. Er was zelfs een klant die onze melkzuurgefermenteerde kruisbessen een life-changing shock noemde. (lacht) Dat is misschien wat te veel eer, maar het werd tijd om de kennis, die we al die jaren met veel vallen en opstaan hebben vergaard, met de wereld te delen.”

Andere chefs zouden misschien hun miso’s en sojasauzen gaan commercialiseren. Dat brengt meer op dan een boek waarin u gratis al uw kennis weggeeft.

“Ja, maar ik ben een heel slechte kapitalist. (lacht) Het is ook ons visitekaartje, onze signatuur. Toen we met Noma startten, waren we op zoek naar ingrediënten die onze gerechten interessant konden houden in de wintermaanden. In Scandinavië deed men dat door veel producten in te maken, dus gingen we dat ook doen, maar met andere dingen. Een van onze leveranciers bracht daslookknopjes aan, die een beetje op kappertjes lijken, dus begonnen we die ook op pekel te leggen. Had je ons toen gezegd dat we eigenlijk met melkzuurgisting bezig waren, we hadden je verbaasd aangekeken.

“Maar plots hadden we iets dat gerechten een kleine kick van zuurheid en een zoutigheid gaven. Een totaal nieuwe smaak van iets dat gewoon in onze buurt groeide en waar we iets totaal nieuws van hadden gemaakt, gewoon door er zout aan toe te voegen. Dat is eigenlijk het begin geweest. En vandaag hebben we mensen die fulltime in de fermentatiekeuken werken, droogkasten, fermentatieruimtes, de hele zwik.”

Redzepi in zijn nieuwe keuken. Beeld Jason Loucas

Fermentatie doet producten vaak helemaal van smaak veranderen.

“Ja en nee. Denen zijn verzot op kruisbessen, we eten dat al ons hele leven. Toen kwam iemand in het lab op het idee om die ook te pekelen. Wel, je kreeg iets dat tegelijk heel bekend voorkwam, maar toch een smaak had die je nooit eerder hebt geproefd: dat is bijna magisch, die transformatie. Het grappige was, hoe meer we dachten dat we met nieuwe dingen bezig waren, hoe duidelijker werd dat we ons eigenlijk inschreven in eeuwenoude tradities. Zonder fermentatie is er geen zuurdesembrood, geen Parmezaanse kaas, geen balsamico of kimchi, geen pickles en geen ­sojasaus.”

De fermentatieproducten die jullie maken, worden nooit op zich opgediend, ze worden altijd in de gerechten gebruikt.

“Ja, je gebruikt ze om je andere gerechten op te liften, een meerwaarde te geven: fermentatie verbetert gewoon alles, maar je eet het niet apart. Bij de Japanner ga je ook geen pure misopasta eten. We ontdekken nog steeds nieuwe ­dingen. We hebben de Japanse fermentatietechniek gebruikt om niet van sojabonen, maar van mais een miso­pasta te maken, en je weet echt niet welke smaakbom dat heeft opgeleverd. Nooit eerder te proeven, want niemand had ooit gewaagd om van mais miso te maken.”

U laat het allemaal heel romantisch klinken, maar het is wel een heel gedoe voor een hobbykok: vochtigheidsmeters, verwarmingselementen, soms tot drie maanden gisting voor iets klaar is. Dat is niet evident.

“Ok, het is werk, maar het is wel enorm bevredigend werk. Het gaat in tegen de tijdgeest van vandaag waar alles nu en onmiddellijk moet. Dat je dan soms maanden bezig bent om iets unieks te krijgen, is toch een mooie uitdaging?

“Bovendien is het ook gezond: ik voel me echt beter sinds ik meer gefermenteerde pro­ducten eet. Veel melkzuurgistingen zijn trouwens al klaar na één week: tomaten krijgen dan dubbel zoveel smaak en umami, het vocht is perfect voor sauzen en ­dressings, de pulp kan je met lamstartaar mengen of gewoon op een geroosterd stukje brood serveren. Op twee weken tijd heb je witte asperges gefermenteerd, een smaak die je nooit zal vergeten. Je kan ze daarna nog maanden in de ijskast bewaren. Eenmaal de microbe van het microbekoken je te pakken heeft, is er misschien wel geen houden meer aan. Zelf je azijn maken is ook maar even werk, en vervolgens de tijd zijn werk laten doen door de pot een paar maanden in de kelder te laten staan. Maar toegegeven: de miso­pasta’s of de garumsauzen vragen wel wat investering in materiaal en tijd.”

‘Rendierfeest’ Beeld RV/Ditte Isager

Noma is niet alleen van locatie veranderd, maar ook van filosofie: waar vroeger regelmatig de gerechten ­veranderden in een vast menu van rond de twintig ­hapjes, werkt u nu met drie seizoenen, drie totaal ­verschillende menu’s.

“Het was een beetje een sprong, omdat je je vaste structuur opgeeft, en iedere vier maanden een volledig nieuw menu moet creëren. Vroeger varieerden we op één muziekstuk, nu moeten we drie symfonieën per jaar componeren. Ik heb mijn hele leven nooit minder dan tachtig uur per week gewerkt, en ik heb nooit harder gewerkt dan nu. We ­bedenken per jaar zowat 90 gerechten, 30 per seizoen. Niet omdat die allemaal geserveerd worden, maar omdat je steeds meer alternatieven moet hebben voor mensen met voedsel­allergieën.

“We beginnen nu aan ons eerste wildseizoen, in de lente is er een zeemenu, en in de zomer werken we alleen vegetarisch. We passen ons ook aan aan onze nieuwe omgeving. Het oude Noma was onze puberteit, nu beginnen we volwassen te worden. We moeten wel, want dit is een enorme investering: we zitten er levenslang aan vast. (lacht) Dat is best beangstigend, maar anderzijds heeft deze plek zoveel mogelijkheden dat je er in de toekomst ook andere dingen mee zou kunnen doen: je kan er een school van maken, of een hotel, of nog tien andere dingen. Maar het klopt: we gaan twintig jaar werken om onze schulden afbetaald te ­krijgen. Ach, van topgastronomie word je niet rijk, maar je hoort me niet klagen.”

U hebt een bijzonder rusteloze natuur, heel uw carrière is een opeenstapeling van altijd maar nieuwe uitdagingen. En nu plots een plan voor twintig jaar. Wat is er gebeurd?

“Ik ben ouder geworden, en hopelijk wat meer matuur. Ik heb misschien het onderscheid leren maken tussen blinde ambitie, het veranderen om de verandering, en wat meer doordachte creativiteit. Maar ik blijf een perfectionist, vrees ik: ik heb me hier met alles bemoeid, van het ontwerp van de stoelen tot de wc-rolhouders op het toilet. Ik werd er gek van, en alle anderen hier ook bijna. (lacht)

“Plus, ik heb nu zo veel ruimte en mogelijkheden dat het me heel wat tijd gaat kosten om ze allemaal te ontdekken en te ontwikkelen. We hebben nu ieder seizoen zes mensen die fulltime niets anders doen dan nieuwe gerechten ontwikkelen, en nog eens vijf die in de fermentatiekeuken dingen ­uitproberen. Innovatie is echt waanzinnig duur. Maar goed, ik heb aanvaard dat ik geen modelkapitalist ben.”

René Redzepi: “Fermentatie verbetert gewoon alles, maar je eet het niet apart.”  Beeld Jason Loucas

U zou natuurlijk, al was het maar om die kosten te drukken, uzelf kunnen herhalen. Michel Bras, een van uw grote voorbeelden, is nu 71 en serveert al meer dan dertig jaar zijn gargouillou van jonge groenten, en zijn Aligot-aardappelpuree met kaas, tot ieders tevredenheid.

“Ja. (stil) Ik weet niet wat ik over dertig jaar zal doen, als ik 71 ben. Maar wij zijn nu net bekend om onze verrassingen, net omdat je nooit weet wat hier nu weer zal gebeuren. Dat houdt ons ook wakker. Ik vecht al mijn hele leven tegen ­verveling, dat moet ik toegeven. Telkens als ik het gevoel had dat ik mezelf aan het herhalen was, kwam er een lichte depressie opzetten, één keer heb ik zelfs dicht tegen een burn-out aangezeten. Niet omdat ik te hard werkte, maar omdat ik telkens hetzelfde deed. Sommige mensen vinden daar rust in, ik word er net ongelooflijk zenuwachtig van, krijg het idee dat ik dan stilsta, niet meer evolueer. Terwijl het leven in de eerste plaats toch alleen evolutie is, nee? Evolutie heeft ons tot specialisten in seafood gemaakt, tot specialisten in fermentatie. Maar de wil om nieuwe dingen te blijven ontdekken is altijd de motor geweest en moet dat ook blijven. Niet bang zijn voor vernieuwing is de enige sleutel voor creativiteit.

‘Krokante eendenvleugel’ Beeld RV/Ditte Isager

“Maar de blinde drang naar ­vernieuwing is wel minder. We hebben ongelooflijk genoten van onze ervaringen in Japan en Mexico, we zijn blij dat we als simpele jongens van Kopenhagen in de hele wereld doorgebroken zijn, en dat heeft ons ook veranderd, waarschijnlijk voor altijd. Maar het is daarna ook weer fijn thuiskomen, opnieuw je roots kunnen omarmen.”

Noma was bekend om zijn ­terroir-filosofie: u kookte alleen met de ingrediënten die u binnen een straal van tien kilometer kon vinden, en dus gebruikte u bijvoorbeeld zelfs geen peper.

“Zo zijn we begonnen, ja, omdat die onwaarschijnlijke restrictie ons zeker in het begin verplichtte tot grote creativiteit: hoe doe je toch iets met onkruid dat iedereen oneetbaar vindt? Waarom zouden we geen mos serveren waar rendieren gek op blijken te zijn? Net door je wereld zo klein te maken, werd hij groter. Maar na een aantal jaren ben je toch op het einde, heb je alles ­geëxploreerd wat kon, en dan wordt die filosofie geen aanjager van creativiteit, maar een restrictie waarin je vast komt te zitten. Dat ­merkten we in Japan: zaten we daar met onze hele ploeg en kwamen we tot de vaststelling dat we eigenlijk onze Deense keuken aan het hermaken waren in Tokio. Toen hebben we alles weggegooid, zijn we lokale ingrediënten gaan zoeken en eigenlijk zo opnieuw naar onze roots gegaan, terwijl er toch tegelijk een nieuwe wereld openging.

“Maar die kennen we nu ook, we hebben daar zeewier ontdekt dat we hier niet vinden. In Mexico zijn er onwaarschijnlijke pepers. In Australië is er een koppel dat het hele familiekapitaal heeft gestoken in speciale houtstronken waarop ze een fenomenale truffel kweken, die je nergens anders vindt. Al die mensen zijn onze leveranciers ­gebleven, ook toen we terugkeerden naar Kopenhagen. Noma is vandaag niet meer alleen terroir, het is meer een wereldwijde familie van kwekers, leveranciers, koks die er dezelfde filosofie op nahouden. Het gaat nu meer om mensen dan om ingrediënten. De man die je daarnet ­paddenstoelen zag binnenbrengen, zoekt die al vijftien jaar voor ons. Ik heb bij hem gelogeerd, ken zijn vrouw en ­kinderen, er is een groot en duurzaam wederzijds respect. En ik denk echt dat je dat familiegevoel op onze borden proeft, een gevoel dat nog sterker is geworden nu we met het hele team in Japan en Mexico hebben gezeten.”

Volgend jaar schrappen jullie de avondservice op zaterdag, nochtans jullie beste dag.

“We zitten altijd vol, maar die service was altijd als eerste volgeboekt. Dus het was zeker geen evidente beslissing. Maar het personeel wilde het graag, en ze hebben een punt. Het is een wereld van verschil wanneer je weekeinde begint in de late namiddag op zaterdag, in plaats van om twee uur ’s nachts van zaterdag op zondag.”

‘Woudsalade’ Beeld RV/Ditte Isager

Zelfs koks verdienen een leven.

“Zoiets, ja. (lacht) Het blijft ook dan nog keihard werken, maar het maakt het wat draaglijker. Je kan mensen keihard doen werken, gemotiveerde mensen nog harder, maar je kan ze niet eindeloos afbeulen. Misschien zou ik het tien jaar geleden niet gedurfd hebben om zaterdagavond te ­sluiten, maar nu wel. Dat ik zelf ondertussen drie kinderen heb, en veel mensen van de staf ook, doet dat soort besef ­rijpen. Je komt in een fase van je leven waarin ook andere dingen dan Noma belang krijgen, en als je daar niet in ­meegaat, riskeer je je beste mensen te verliezen. Mijn vader is verleden jaar overleden, en dan besef je nog iets beter hoe kort het leven wel is.

“Noma is een personality, dus dat die evolueert met haar mensen is normaal, je kan niet eeuwig blijven leven en ­werken als een mad dog. Vooral ook omdat het op het einde van de dag toch die mensen zijn om wie het draait. Natuurlijk ben ik gelukkig met een nieuw gerecht of een nieuw ­product, maar op het einde van de dag zijn het toch je ­mensen die voor een glimlach en je geluksgevoel zorgen.”

Nooit overwogen iets anders te doen? Lesgeven, adviseur worden, alleen rondreizen en je boeken verkopen?

“Niet meer. Ik heb een tijd gehad dat ik de wereld wou veroveren, met het dwangidee leefde dat alles wat interessant was buiten Kopenhagen gebeurde. De angst dat te missen dreef je dan weer het vliegtuig op. Maar nu ben ik er klaar mee, ik wil niet meer in luchthavens zitten te wachten op iets wat toch nooit zo leuk is als met mijn mensen werken. Ik ben echt thuisgekomen op deze plek, en ik wil er nog zo weinig mogelijk van weg. Niet dat ik helemaal zen of ­stoïcijns geworden ben, de drive is er nog onverminderd, maar de behoefte om alles mee te maken is er niet meer. Iedere topkok heeft tegen een burn-out aangezeten, wanneer je maandenlang drie uur per nacht slaapt. Uitputting, en dan moet je rusten, ook in je hoofd. Het hoort bij het leven, net als vreugde en rouw, je moet alleen wel naar je lichaam willen luisteren als het zover is.

“Wat ook geen deugd doet is de manier waarop sociale media het vak veranderd hebben. Het is langs de ene kant een fantastisch marketinginstrument, maar langs de andere kant geeft het ook een megafoon aan al degenen die zich interessant willen maken met de mening dat Noma helemaal niets voorstelt. Al dat geroep en gescheld, ik had het zo gehad dat ik de sociale media gewoon van mijn ­privételefoon gehaald heb. Maar waarschijnlijk heeft mijn manager gelijk met zijn stelling: there are a lot of assholes out there. (lacht) Natuurlijk kunnen we niet voor iedereen goed doen, natuurlijk kan het dat Noma helemaal je ding niet is, maar zonder argumenten sneren en denigrerend doen over de inzet van zoveel mensen, ik kan er niet tegen. Maar toch zie je dat sociale media stilaan iedereens leven beginnen te bepalen.”

De ingang van de nieuwe Noma. Beeld RV/Ditte Isager

Hoe ziet u de topgastronomie evolueren?

“Net zoals de toekomst van alles zal evolueren: groener en duurzamer. Het zou best kunnen dat dit één van de laatste keren is dat we aan een wildseizoen beginnen. Hoewel, het blijft een mooie uitdaging. Het kan vervelend klinken voor old-style chefs en klanten, maar groenten worden hoofdrolspelers. Of je nu een autoproducent bent of een kok: in alles wat je maakt zit een politiek, een visie op de samenleving, iets waar je voor staat en in gelooft. Als het je echt ernstig is over het milieu, de klimaatopwarming en duurzaamheid, dan moet je dat ook op je bord waarmaken. En dat kan zeker even lekker zijn.

“Mijn kinderen zullen als ze 25 zijn kiezen voor groene, duurzame restaurants, waar erg lekker eten samengaat met een ethiek, daar ben ik van overtuigd. En dan wil ik toch liefst de vader zijn die mee aan die weg getimmerd heeft.”

René Redzepi en David Zilber, ‘Noma’s handboek voor fermenteren’. Karakter Uitgevers, 39,99 euro Beeld rv

ZO LAAT NOMA DE BACTERIËN HET WERK DOEN

De 32-jarige Canadese chef David Zilber is chef ­fermentatie bij Noma en ­bijzonder trots op zijn labo. “Er loopt momenteel een chemiestudent van Stanford stage bij ons voor een doctoraat over gistingsprocessen. Volgens hem is ons labo beter dan dat van hen.” (lacht)

Dat zou kunnen kloppen: een centrifuge, een ultrasonisch ding dat water en olie kan mengen, een machine uit de parfum­industrie. Daarnaast staan negen temperatuurgecontroleerde ruimtes, met en zonder extra vochtigheidsgraad.

“Dit is geen keuken meer, maar
research and development op hoog niveau. Puur academisch onderzoek naar nieuwe vormen van voedsel en smaak, echt uniek in de wereld. Ik was souschef in een restaurant in Vancouver, waar ik de mise deed, de service, mensen eten gaf en weer naar huis ging. Ik wist niets van ­fermentatie, behalve dat je bij de feestdagen wat ­champagneazijn gebruikte in plaats van gewone. 

David Zilber. Beeld RV/Ditte Isager

“Hier voel ik me ontdekkingsreiziger, doe ik dingen die in geen ander restaurant ter wereld gedaan worden. Niet zozeer omwille van de ­techniek – fermentatie is eeuwenoud – maar omdat we die traditie binnenstebuiten keren door nieuwe ingrediënten te gebruiken en nieuwe methodes uit te testen. We maken nu bijvoorbeeld een sojasaus die we geen sojasaus mogen noemen omdat er geen soja in zit, want ze is gemaakt van gele erwten en een soort maltschimmel.”

Wat is het gekste dat je al hebt gefabriceerd?

“We proberen eigenlijk alles en uiteindelijk zal maar vijf procent van wat hier gebeurt het restaurant of het boek hebben gehaald. Niet dat de rest mislukkingen zijn, maar René wil natuurlijk alleen het ­allerbeste en de meest uitgesproken smaken. We waren zelf zeer ­aangenaam verrast over de smaaksterkte van een sojasaus die we hebben gemaakt van de koffiedrab die we gespaard hadden uit de koffiemachine van ons personeelsrestaurant. Waarschijnlijk het allergoedkoopste ingrediënt ooit. (lacht) En toen we ontdekten dat op een eilandje in Zweden al eeuwen linzen verbouwd werden, hebben we daar een misopasta van gemaakt, die onwaarschijnlijk peperig en floraal smaakte. En nu wachten we op een garum­saus op basis van de ­pancreas van varkens.”

Ik pas nu even als ­hobbykok.

“Wees gerust, alle recepten in het boek kunnen ook zonder al onze apparatuur. Maar het is wel even een knop omdraaien. Een nieuwe wereld ontdekken. Dat is altijd de basisfilosofie van René geweest: stel alles in vraag wat normaal is en probeer altijd iets nieuws. Hij is echt wel de punkrockchef bij uitstek.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234