Zondag 19/05/2019

Interview

“Wij zijn geen supermensen, we zijn God niet. Maar we doen wel alsof”

Warner Prevoo (55), Bram Bakker (55) en Ivan Wolffers (70). Beeld Paul Tolenaar

Die ochtend in de wachtkamer: een kankerspecialist met longkanker, een psychiater met hersenproblemen en een ongeneeslijk zieke medicus. Jarenlang hadden de artsen Warner Prevoo (55), Bram Bakker (55) en Ivan Wolffers (70) zich met hart en ziel ingezet voor de gezondheid van hun patiënten, tot ze op een dag zélf patiënt werden. De drie schreven elk een boek over hoe ze plots moesten plaatsnemen aan de andere kant van het bureau. En hoe ze op die manier tot nieuwe inzichten kwamen: “Zeg nooit ‘Ik begrijp wat u meemaakt’ tegen een patiënt, want je begrijpt het níét, voor geen meter.”

★★★

‘Ik ga even naar het ziekenhuis om een scan te laten maken’, zeg ik. “”

‘Hoezo?’ Yno kijkt op van zijn wiskundeboek.

‘Voor de zekerheid. Om uit te sluiten dat ik kanker heb’, zeg ik.

‘Papa!’

‘Maak je niet druk, ik ben zo terug. Leg jij alvast bier koud?’

Zo begon de nachtmerrie waarover ik alles wist, tot ze mij overkwam en ik niets bleek te weten.

Na de scan loop ik meteen naar Tom en Aad, ze zitten al voor het beeldscherm. Ze zwijgen. Zonder iets te zeggen schuif ik een stoel tussen hen in. Mijn blik blijft rusten op de linkerlongkwab. Daar zit een flinke vlek. Tom scrolt snel verder. De tweedimensionale beelden schieten over het scherm; vanuit elke hoek is de schaduw in de onderkwab onmiskenbaar. Instinctief bereken ik de grootte van de tumor. Tom doet de meting op het scherm: 9 bij 4 centimeter. Een joekel. Ook op de rechterlong zijn afwijkingen te zien. Twee stipjes, speldenknoppen - kleine tumoren. De lymfeklieren zijn ziekelijk opgezet en aangetast door uitzaaiingen.

Tom draait zich half naar me om. Als ik zijn asgrauwe gezicht zie en de verbijsterde blik in zijn ogen, dringt pas echt tot me door dat we niet kijken naar één van de vele CT-scans die wij beroepshalve voortdurend onder ogen krijgen, maar naar die van mijn eigen longen. De diagnose is onmiskenbaar: longkanker in een terminaal stadium.

Bij de deur draait hij zich nog een keer naar me om. ‘Ik zou je graag hoop geven. Maar jij weet ook: we kunnen de dingen niet mooier maken dan ze zijn.’

Ik knik. Natuurlijk weet ik dat. Al zestien jaar lang heb ik als specialist dagelijks met de ziekte te maken. Al zestien jaar lang kijk ik het beest dat kanker heet in de bek. Kanker is waaraan mijn patiënten lijden – en ik ben hun dokter.

Maar vandaag ben ik gewoon een bange gast in een trainingspak.

(uit: Echte dokters huilen ook van Warner Prevoo)

★★★

Warner Prevoo, wanneer merkte je dat er iets mis was?

Warner Prevoo: (oncoloog) “Ik liep al enkele maanden met een kuch. Ik dacht dat ik zelf wel kon achterhalen vanwaar die kwam, dus ben ik eerst zelf een beetje gaan dokteren. Dat hielp niet. Daarna ben ik naar de huisarts gegaan. Die kende mij niet, want in vijftien jaar tijd was ik nooit ziek geweest. Ook de keel-neus-oorarts kon geen oorzaak vinden. Uiteindelijk kreeg ik een longontsteking die maar niet overging en liet ik me eens scannen. Dat was in januari 2016. Maar toen had ik al uitzaaiingen in mijn lymfeklieren en in mijn andere long. Dan zit je in stadium vier en genees je normaal gezien niet meer. Uiteindelijk hebben ze een stukje weefsel onderzocht, waaruit bleek dat ik een soort kanker had die te behandelen was met pillen. Ik reageerde er goed op.”

Zo kreeg je meer tijd dan je in eerste instantie dacht.

Prevoo: “Ja, mijn arts zei toen: ‘We gaan je nog wel even hier houden.’ Terwijl ik zelf dacht: binnen een jaar ben ik dood.”

Warner Prevoo: 'Nu pas besef ik hoe ver­schrik­kelijk ­onderzoeken zijn. Toen ik in de CT-scanner moest, wilde ik uit die buis springen en gillen: 'Dit wil ik niet!' Beeld Paul Tolenaar

★★★

Ergens in het late voorjaar ontdekte ik dat ik bij het klaarkomen niets meer produceerde. Dat was vreemd. In de leer van het taoïsme is het hoogste dat een man kan bereiken dat hij klaarkomt zonder zaad te vermorsen. Het vereist veel training en een leven lang proberen om controle te krijgen over liefde en lust. Ik had dat stadium blijkbaar bereikt zonder er mijn best voor te doen.

Ik besefte wel dat ik er eens naar moest laten kijken. Tijd had ik er alleen niet voor.


‘Ik snapte al niet dat je me niet belde’, zei mijn huisarts. ‘Je PSA (Prostaat Specifiek Antigeen, een eiwit dat bij mannen in het bloed voorkomt, red.) is extreem hoog. Ivan, jij weet wat dat betekent. Je moet je invloed gebruiken om zo snel mogelijk een uroloog te zien.'

De volgende ochtend zat ik op het spreekuur van de uroloog.

‘Waarom kom je zo laat? Je bent nog zo jong’, zei de uroloog en ik begreep meteen dat ik me zorgen moest maken.

★★★

Ivan Wolffers: (arts en schrijver) “De doorverwijzing had maanden op mijn bureau gelegen, maar het kwam er maar niet van om naar de uitslag te informeren. Uiteindelijk heb ik pas negen maanden later gebeld. Wat mij het meest verbaasde, is hoe de gezondheidszorg in elkaar zit. Iemand vindt het nodig dat je je laat testen, maar vertelt je vervolgens niet dat er iets aan de hand is. Dat is verbijsterend.

“Uit een biopsie bleek dat de kanker al was uitgezaaid. Dus net als Warner Prevoo was ik meteen palliatief.”

Bram Bakker: (psycholoog) “En hoe lang ben je nu onderweg? Jaren toch al?”

Wolffers: “Bijna zestien jaar. Achttien maanden gaf mijn uroloog me toen de prostaatkanker was vastgesteld. 'Maar het kan ook vijftien jaar zijn’, zei hij.”

Bakker: “Zestien jaar, moet je nagaan. Dat zijn dus cadeaujaren.”

Je zei voor dit gesprek dat je net het laatste punt had gezet in ‘waarschijnlijk je laatste boek’. Waarom denk je dat?

Wolffers: “Dat kan altijd, hè? Ik zou iedereen aanraden om elke dag te leven alsof het je laatste is. Ik merk dat ik erg achteruitga. Niet alleen qua conditie, maar ook qua geheugen. Een heleboel woorden ben ik volkomen kwijt. Het is één van de bijwerkingen van de behandelingen. Vergeetachtigheid, in de war zijn, soms zelfs het verschil tussen werkelijkheid en fantasie niet meer weten. Nu, dat laatste is bij mij altijd wel het geval geweest. Je bent schrijver of niet.”

Prevoo: “Het is bekend dat mensen van chemotherapie een chemobrein krijgen.”

Bakker: “De chemo tast alles aan, dus ook de hersenen.”

Wolffers: “Ik heb medicijnen die zo giftig zijn, dat ik plastic handschoenen moet aantrekken voordat ik ze op mijn hand kan leggen. Laatst had ik die handschoenen per ongeluk niet aangedaan en voelde ik het branden. Het is het heftigste van alle medicijnen die ik heb gebruikt. En dat zijn er nogal wat, want iedere keer raakt de kanker resistent tegen het nieuwe middel. Die kankercellen willen overleven, dus worden ze slimmer. Het zijn vaste bewoners van mijn lijf geworden.”

Weet je waar ze op dit moment in je wonen?

Wolffers: “Dat interesseert me niet meer. Natuurlijk moet ik af en toe een scan maken en dan lijkt het net alsof je overal een lamp aandoet. Overal in mijn lichaam en in mijn botten licht het dan groen op: daar zit de kanker dus.”

Prevoo: “Je bent een soort dalmatiër.”

Wolffers: “Ja, daar komt het op neer. Ze kamperen overal en maken kampvuren van de dood.”

Bakker: “Romantiseer het maar.”

Wolffers: “Op den duur raak je eraan gewend. Het geheim om dit mentaal te overleven, is dat je er een andere naam aan geeft in plaats van mee te gaan in de kankerhysterie van: 'O, de dood, dit is het einde.'”

Prevoo: “Ik had en heb nog steeds perioden dat ik het niet helemaal accepteer. Ik zweef soms in de buurt van acceptatie, maar verder is het vooral veel ontkenning. Als ik een uur heb gekickbokst, voel ik me toch weer de koning. Dan denk ik: fuck it, ik ben helemaal niet ziek! Ik ben de grote ontkenner.”

Wolffers: “Er zijn ook perioden dat ik het ontken. Dan denk ik: moet je eens zien wat ik allemaal kan. Mijn vrouw (schrijfster Marion Bloem, red.) en ik gingen gisteren wandelen. De laatste tijd loop ik een beetje voorover, omdat ik zoveel kracht verlies. En ineens kon ik gewoon rechtop lopen! Maar dat is niet ontkennen, dat is erkennen. Erkennen dat je ook voor een deel gezond bent. Je moet de kanker nooit de boel laten overnemen. Want dan is het met je gedaan.”

‘Hoop doet leven’ zeggen ze, maar bij jullie is het de erkenning die doet leven?

Wolffers: “Hoop doet ook nog steeds leven, hoor. Als ik weer aan een nieuw medicijn begin, hoop ik dat het aanslaat. Hoop is een fundamentele eigenschap van mensen om te overleven. Dat is bij mij niet anders.”

★★★

Op vakantie in Portugal ging ik tegen de grond voor een restaurant. Het was druk en donker en ik was moe. Toen ik tijdens het lopen ook nog iets tegen mijn dochter wilde zeggen, ging het mis en lag ik op straat. Doe nooit twee dingen tegelijk als je deze kwaal hebt.

Nooit vergeet ik de verbouwereerde blikken van passanten die mij onverwacht de voortuin van wildvreemden in zagen fietsen, niet omdat ik bij hen op bezoek wilde, maar omdat mijn cerebellum (de kleine hersenen, red.) het niet deed. De neurologen hadden het eens moeten zien, wellicht waren ze dan meer overtuigd dat het niet-psychisch was, deze gekkigheid. 'Verwarde man rijdt voortuinen in' was natuurlijk wel een mooie kop geweest.

Van nature ben ik niet onhandig, maar hoeveel glazen en kopjes ik de afgelopen maanden heb laten sneuvelen. Hoe vaak ik luidkeels gevloekt heb zonder dat iemand me kon horen. Tegen deuren geschopt, omdat ik een sleutel niet in een slot kreeg. En gehuild, vaak uit machteloze woede.

Iedere dokter leert dat het risico op een psychische aandoening sterk toeneemt bij lichamelijke ziekte. Ik had het zelf eerst niet eens door, terwijl ik ervoor heb gestudeerd.

★★★

Bakker: “Mijn omgeving merkte het eerst dat er iets mis was. Mijn kinderen zeiden: 'Papa, je loopt raar.' Ik zat toen nog in de ontkenningsfase, dus ik zei: 'Waar hebben jullie het over?' Totdat ik echt van iedereen het commentaar kreeg dat ik raar liep. Bij een test bij de dokter liep ik alsof ik stomdronken was. Dus werd ik doorgestuurd voor verder onderzoek, maar ze vonden niks.

“Toen sprak de neuroloog de legendarische woorden dat ze me statistisch gezien moesten behandelen alsof ik een hersenbloeding had gehad, dus dat ze me preventief gingen opnemen op de stroke unit. Daar lag ik tussen de kwijlende oude bazen met scheefhangende tongen. De dag erna zou met spoed een MRI worden gemaakt om te kijken of ik een beroerte had gehad, maar aan het eind van de dag vertelde de zaalwacht mij dat dat pas na het weekend zou lukken. Ook tot haar grote spijt, zei ze erbij: 'Wij willen natuurlijk óók graag uitsluiten dat het multiple sclerose is.' Ik hoorde alleen maar de woorden 'multiple sclerose', want op de lijst van alle ziektes die ik niet wil hebben, staat MS vrij hoog. Ik werd bang, dus heb ik die zaterdag op eigen kosten een MRI laten maken. Toen wist ik direct dat ik geen hersentumor had, geen beroerte, geen ALS, geen MS. Maar wat wel? Dat wist nog steeds niemand. Daarna ging alles mis. Ik ben van het ene naar het andere ziekenhuis gegaan. Afgelopen dinsdag ben ik voor het eerst bij een neuroloog geweest die gespecialiseerd is in wat ik heb. Dat heeft zeven maanden geduurd.”

En is het nu dan eindelijk duidelijk wat het precies is?

Bakker: “Het vermoeden is dat het het gevolg is van een griepje. Het virus is op mijn cerebellum gaan zitten. De diagnose is in ieder geval 'cerebellaire ataxie'. Ataxie betekent onhandigheid: ik kon niet typen, ik kon mijn gsm niet bedienen, ik kon niet goed praten. Uiteindelijk ontdekte ik via Google dat er ook emotioneel-psychologische bijwerkingen bij komen kijken. Maar dat heb ik allemaal zelf moeten uitvinden, want dat hebben alle artsen over het hoofd gezien. Het is een lange en teleurstellende weg geweest.”

Ivan Wolffers: 'Ik ben nooit boos of in paniek. Maar 's nachts lig ik soms te huilen.' Beeld Paul Tolenaar

Je schreef: 'Al meer dan drie maanden zit ik ziek thuis. En dan ineens valt het muntje: ik voldoe ook nog aan de criteria van een depressieve stoornis.'

Bakker: “Ik was om half vier in de ochtend aan het hardlopen, had weinig eetlust, was ook een beetje afgevallen en dacht: goh, bij depressie heb je dat ook. Ik pakte mijn DSM-boekje erbij (handboek voor psychische stoornissen, red.). Om iemand als depressief te diagnosticeren, moet je vijf van de negen symptomen hebben; ik had er zes. Ergens leek het me wel logisch dat ik een depressie had: gescheiden, verhuisd, een nieuwe vriendin, veel vrienden die kort na elkaar waren overleden. Maar toen vond ik zelf op internet dat er bij mijn cerebellair syndroom ook depressieve verschijnselen voorkomen. Je kunt er ook heel erg prikkelbaar en geagiteerd van raken. Dat was precies wat er bij mij ook gebeurde. Ik werd buitenproportioneel boos op mijn vriendin, op mijn ouders, op mijn kinderen. Maar geen van de artsen heeft mij ooit naar die symptomen gevraagd. Dat is de tragiek van al die specialismen. Veel mensen met een hartinfarct hebben een depressie als complicatie, en veel mensen met depressies hebben hartklachten. Maar geen cardioloog is geïnteresseerd in depressie, en geen psychiater is geïnteresseerd in het hart. We zoeken allemaal in ons eigen rubriekje, en als we daar niks vinden, is het: hup, over naar de volgende specialist!”

Wolffers: “Zijn je verwachtingen van de zorg niet te hoog? Van jezelf aanvaard je dat je niet alles weet. Maar als je naar een arts gaat, hoop je ineens toch dat die het allemaal weet.”

Bakker: “Ik vind het prima als iemand eerlijk zegt dat hij het niet weet. Maar dokters hebben de neiging om te doen alsof ze alles weten. Dat ze nog even wat onderzoekjes moeten doen, en dat ze er dan wel komen.”

Wolffers: “Ja, we weten het als dokter nooit echt. We weten nog precies welke stukken we in onze leerboeken hebben overgeslagen, de delen die we zo vervelend vonden dat we er nooit aandacht aan hebben besteed. Wij zijn geen supermensen.”

Prevoo: “Nee, we zijn God niet.”

Bakker: “Maar we doen wel alsof.”

Wolffers: “Wij hebben geleerd om met onze onzekerheden om te gaan door te doen alsof we het wel weten.”

Prevoo: “Een huisarts weet het op een bepaald moment ook niet meer en denkt: we prikken wat bloed. Of we sturen hem naar het ziekenhuis voor een echo of een longfoto. Ik denk dat 80 procent van de longfoto's echt nergens op slaat. Maar door de tijdgeest zijn huisartsen bang geworden om iets te missen.”

Wolffers: “Onze hele samenleving wordt gekenmerkt door een toenemende behoefte aan zekerheid. De geloofwaardigheid van de gezondheidszorg hangt anno 2018 af van de mate waarin artsen hun patiënten zekerheden verschaffen. Nu ja, pseudo-zekerheden.”

Prevoo: “Een second opinion is tegenwoordig gemeengoed. Die wordt door de verzekering vergoed.”

Vies filmpje

Bij Warner Prevoo was na de behandeling met pillen een potloodpuntje op zijn longen te zien. Toen ze een halfjaar later weer een scan maakten, was dat puntje ineens heel groot en kwaadaardig geworden. Waarom niet wekelijks een scan maken?

Prevoo: “Zoiets groeit niet in een week, maar in een maand, of zelfs twee of drie maanden.”

Maar dan kun je beter iedere maand even checken, toch? Is dat te duur?

Bakker: “Een scan kost niet veel, hoor.”

Prevoo: “400 euro of zo.”

Waarom gebeurt dat dan niet elke maand?

Wolffers: “Ik moet om de drie maanden mijn PSA-waarden laten testen. Mijn vrouw vroeg of ik me vaker kon laten testen, zodat we het goed in de gaten konden houden. Toen dacht ik: doe maar om de drie maanden, want ik wil niet om de maand in spanning zitten.

“Veel mensen denken: o, als we er eerder bij waren geweest... Maar zo werkt dat niet. De grootte van een tumor zegt niks over hoe snel iemand zal sterven.”

Prevoo: “Als je elke twee maanden wordt gescand, heb je iedere keer - als het goed is - na afloop een happy moment, maar na een maand ben je weer zenuwachtig voor de volgende scan. Als arts heb je echt geen idee wat voor spanning zo'n scan met zich meebrengt.”

Wolffers: “Dat is het bijzondere van zo'n ziekte te krijgen als arts: eindelijk besef je wat een patiënt meemaakt.

“Als ik een lezing aan urologen geef, zeg ik weleens: 'Als je testosteronremmers voorschrijft, moet je ook eens zélf zo'n prik in je buik laten zetten. Dan weet je wat de gevolgen zijn.' Dat zeg ik altijd als grapje, maar ze lachen nooit. Wat ik sinds mijn ziekte ervaar, is dat artsen sommige dingen niet durven te zeggen.

“De belangrijkste bijwerking van de medicijnen die ik krijg, is dat je je libido verliest. Je hebt er helemaal geen zin meer in. Dat is belangrijk om de patiënt te vertellen, want daarmee moet je rekening houden in je relatie. Maar de eerste acht maanden dat ik dat spul gebruikte, is er geen enkele uroloog geweest die me daar iets over vertelde. Ik vond dat verbijsterend. Na acht maanden was mijn prostaat door die behandeling een stuk kleiner geworden en mocht ik bestraald worden. Ik kwam tegenover een vriendelijke Iraanse dokter te zitten. Hij zei tegen mij: 'U moet het wel blijven doen, want anders werkt het op den duur niet meer. En als het niet lukt, dan gebruikt u maar een vies filmpje.' Ik kon die man wel omhelzen om zijn helderheid en eerlijkheid. Ik schreef erover in een artikel en vervolgens werd hij erop aangesproken. 'Wat praat jij over rare dingen met je patiënten,' kreeg hij van collega's te horen. Op zo’n moment zie je de mensen die in de zorg werken in hun kleinheid. Het zijn geen goden, het zijn geen helden. Lang niet alle artsen zijn zo goed als we hopen, maar ze doen wel hun best.”

Bram Bakker: 'De tragiek van specialisatie is dat alle dokters zoeken in hun eigen rubriekje, en als ze daar niks vinden, is het: hup, over naar de volgende specialist!' Beeld Paul Tolenaar

Prevoo: “Tijdens je studie gaat het wel over 'empathie', maar tot ik zelf ziek werd, had ik geen idee wat het is om ziek te zijn. Zinnen als 'Ik begrijp wat u meemaakt' moet je niet uitspreken, want je begrijpt dat voor geen meter. Misschien kunnen we beter tegen een patiënt zeggen: 'U heeft een verschrikkelijke ziekte, ik weet eigenlijk niet wat u doormaakt, maar ik ga zeker mijn best doen om u zo goed mogelijk te helpen op het gebied waar ik verstand van heb.' Het is een wat langere zin, maar hij is wel eerlijker.

“Wat ik me als arts ook niet realiseerde, is hoe verschrikkelijk de onderzoeken zijn die je als patiënt moet ondergaan. Nog niet zo lang geleden moest ik zelf de CT-scanner in en krijg ik een extreem pijnlijke verdovingsprik. Ik ging door een hel. Ik kon mezelf er nog net van weerhouden om uit die buis te springen en te gillen: 'Dit wil ik niet!' Maar wij doen zo'n scan soms meerdere malen bij patiënten om te kijken hoe de cellen reageren op de therapie. Die vanzelfsprekendheid vind ik eigenlijk ongelooflijk.”

Wolffers: “Bij mij moest een stukje weefsel uit mijn prostaat worden genomen. Marion wil altijd mee, maar ik behoed mijn vrouw graag voor vervelende dingen. Dus die man begint – je krijgt geen verdoving – en gaat met een apparaat je anus in en dan – klak! – gaat er een hapje uit. Dat doet pijn, maar ik laat niks merken. 'Doet dat geen pijn, lief?' vroeg Marion. 'Nee hoor, dat valt erg mee’, antwoordde ik. Zegt die man: 'Nou, ik zie anders iedere keer uw tenen samenknijpen als ik een hapje neem.' Bederft hij gewoon mijn sprookje!”

Prevoo: “Nu ik zelf ziek ben, denk ik pas: fucking hell, wat doen wij patiënten aan? Als we het niet meer weten, worden we steeds gekker, en gaan we steeds meer prikken.”

Bakker: “Omdat mijn dokters niks konden vinden, zeiden ze: 'Het zal wel psychisch zijn.' Dan denk ik: zeg gewoon eerlijk dat je het niet weet. Nu vond ik het een walgelijke suggestie.”

Wolffers: “In de spiegel kijken is moeilijk voor artsen, juist omdat het fundament altijd onzekerheid is en je zekerheid moet bieden.”

Prevoo: “Ik vraag me vaak af of artsen zichzelf wel evalueren.”

Warner Prevoo (55), Bram Bakker (55) en Ivan Wolffers (70). Beeld Paul Tolenaar.

Is tijdgebrek uiteindelijk de grootste vijand van de arts?

Prevoo: “Tijd is altijd een probleem.”

Bakker: “Huisartsen zijn grote voorschrijvers van antidepressiva. Hun consulten duren gemiddeld 10 minuten en in die tijd beslissen ze dat iemand waarschijnlijk een serotoninetekort heeft en aan de antidepressiva moet. 'Hoe heeft uw huisarts dat vastgesteld?' vraag ik dan. 'Is uw bloed geprikt, keek hij u diep in uw ogen?' Dan is het antwoord: 'Dat weet ik niet.'

“Weet je wat zo raar is? Ik laat mijn auto onderhouden bij een garage waar ik de mensen aardig vind. Dat geldt ook voor een arts. Het gesprek eromheen maakt het verschil. Maar dat verkooppraatje leren we niet. We leren alleen techniek.”

Prevoo: “Ik hing voorheen altijd een beetje de populaire dokter uit. 'Hoe is het? Je ziet er goed uit, hoe was de afgelopen maand?' Terwijl zo'n patiënt alleen maar wil weten: wat is de uitslag? Dus nu zeg ik bij binnenkomst meteen: 'Het ziet er goed uit, hoor.' Dan zie je die mensen helemaal opgelucht uitademen. En krijg je een heel ander gesprek.”

Wolffers: “Zijn wij betere artsen geworden door wat we hebben meegemaakt?”

Bakker: “Ik denk het wel. Ik merk dat ik mijn intakes nu anders doe, meer gericht op het verhaal en de context.”

Prevoo: “Ik ga nu ook anders met patiënten om.”

Huilen op een stoel

Warner Prevoo, toen je kort na je diagnose met de hele familie samenkwam, stapte je vader na afloop op je af. 'Jongen, heb je even?' vraagt hij. 'Ik heb ook longkanker. Ze hebben een tumor in mijn longen ontdekt.' Keek je toen naar hem als zoon of als dokter?

Prevoo: “Hij had in eerste instantie een goed behandelbare tumor. Maar binnen een jaar had hij een uitzaaiing in zijn bekken. Daaraan is hij overleden. Ik heb hem bij één van de longartsen ondergebracht en ik heb zijn behandeling altijd van een afstandje bekeken. Zo kon ik zoon blijven. Maar de boodschap 'u gaat dood aan deze uitzaaiing' werd hem niet door een andere dokter gegeven. Dat heb ik gedaan.”

Wolffers: “Ik heb ook vaak contact gehad met de oncoloog van mijn schoonzus die kanker had. Hij had hormoontherapie voorgesteld. Hij zei: 'Dat werkt nog weleens bij vrouwen op uw leeftijd.' Toen ik wat ging opzoeken, bleek dat het 50 procent kans gaf op een levensverlenging van zes maanden. Dat is heel iets anders dan 'werken'. Maar het woordgebruik van artsen is vaak eufemistisch. Omdat ze het klote vinden om tegen een vrouw van 66 te zeggen: 'Ik zou maar nadenken over het einde.'”

Prevoo: “'Ga maar nadenken over het einde.' Dat is verschrikkelijk.”

Wolffers: “Wat later ging het heel slecht met haar, ik wist dat het bijna gedaan was. Op een bepaald moment kwam haar oncoloog langs in het ziekenhuis en zei: 'De tumor is weer groter geworden.' Ik had dat ook gezien en dacht: groter geworden? Ze kon niet eens meer naar het toilet! Daarna zei ik op de gang tegen hem: 'Je zou het wat beeldender moeten vertellen. Zeg gewoon: de tumor heeft het formaat van een grote bal en dat kunnen we niet meer behandelen.' Waarop hij zei tegen haar: 'De tumor in uw buik is zo groot als een voetbal.' En ineens wist ze het. Toen vertelde ze hoe ze wilde overlijden. Dat was heel erg mooi. Ze zei tegen haar familie: jullie mogen niet over 'doodgaan' praten, ik vlieg weg. Vervolgens hebben we haar in haar eigen huis voor het raam gezet, zodat ze naar de hemel kon kijken. Iedereen is nog op tijd bij haar langs geweest. Het was zo ontroerend. Iedereen heeft daar een heel positief gevoel aan overgehouden, hoe ongelooflijk verdrietig we ook waren.”

Ivan Wolffers schrijft in zijn boek dat het uiteindelijk wel meevalt om kanker te hebben. Went het voor jou ook, Warner Prevoo?

Prevoo: “Ja, je verlegt wel je grenzen.”

Wolffers: “It's a fact of life. Als je al je energie op je kanker gaat richten, kun je beter meteen gaan, want dan heb je niet zoveel meer over.”

Hoe is het op dit moment met jou?

Prevoo: “Slecht, vind ik. (begint hard te hoesten) Ik heb veel klachten. Ik heb enorme hoestbuien. Als ik die niet had gehad, was het prima geweest. Van mijn geestelijke flexibiliteit wordt nu wel veel verwacht.”

Ze hadden het deel met de kwaadaardige cellen toch operatief verwijderd?

Prevoo: “Ja, maar er is een heel klein beetje blijven zitten en dat is nu weer gegroeid. Dat wordt bestraald. Ik verwacht dat die bestraling zijn werk gaat doen; dan ben ik er over een maand wel weer bovenop. Daarna begin ik weer met een andere therapie.”

Bakker: “Jij zit voor de rest van je leven aan die behandelingen vast.”

Prevoo: “Ja.”

Ivan Wolffers, je komt heel rustig over. Is dat soms anders?

Wolffers: “Mijn vrouw zegt van wel. 'Het ging weer slecht vannacht, hè? Je lag te huilen.' In het begin had ik veel nachtmerries. Vooral tijdens de bestraling. Maar boos of in paniek ben ik nooit. Als ik breek, dan huil ik.

“Ik moest een keer bloed laten prikken om te kijken of een nieuwe behandeling aansloeg. Het was slecht weer, ik was te laat, ik moest door dat klotige weer rennen en kwam om één minuut na sluitingstijd aan. Op dat moment kreeg ik enorm medelijden met mezelf. Ik moest huilen. Ik was leeg, het licht was uit. Ik zat te snikken op een plastic stoeltje toen een schoonmaakster me vroeg: 'Is er iets ergs gebeurd?' Toen ik het haar uitlegde, zei ze: 'Op de spoedafdeling prikken ze nog wel bloed.' Ze liep zelfs met me mee, heel lief. Daar aangekomen kreeg ik te horen: 'Dat kunnen we niet doen, zo werkt het systeem niet.' Toen dacht ik: tja, het systeem, hè. Ik heb mijn neus eens goed gesnoten en ik ben verdergegaan.”

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.