Dinsdag 23/04/2019

Lust & Liefde

“We hebben gezoend. Wie wil mij nog, dacht ik een dag eerder”

Beeld Thinkstock

Elise (63) vond na veel verloren jaren eindelijk haar grote liefde, maar moest hem veel te vroeg weer afgeven. Een heftige periode van zorgen en rouw sloeg haar gevoel van veiligheid en geborgenheid aan diggelen. Maar ze heeft hoop.

“Liefde in tijden van dood is natuurlijk iets anders dan liefde in tijden van leven. De notie van continuïteit valt weg en het is alsof liefde een concentraat wordt van de liefde die eraan voorafging. Toen ik veertig was, ging ik scheiden, toen ik vijftig werd trouwde ik opnieuw en toen ik zestig werd, dacht ik: wat zou er nu gebeuren?

“Nooit gedacht dat dit de leeftijd was waarop ik weduwe zou worden. Mijn man had al een tijd last van zijn rug, en toen er alvleesklierkanker werd ontdekt, was het al te laat. Binnen een week voltrok zich het vonnis, van vervelende rugpijn naar bijna dood. Thuis kon hij alleen nog zitten op een stoel, hij sliep zelfs zittend. En niet dat ik met de dood binnen handbereik ineens begreep wat voor een grote liefde hij was, het was eerder zo dat ik inzag dat ik me niet vergist had. Om iemands grote liefde te worden, is gek genoeg maar weinig nodig, heb ik ervaren. Geen grote daden, maar simpele interesse, een beetje intelligentie en het vermogen te begrijpen waar een ander behoefte aan heeft, is eigenlijk al genoeg.

“Tot mijn veertigste wist ik eigenlijk niet wat liefde betekende, ik had een paar verkeerde keuzes gemaakt, en het duurde even voor ik op het juiste spoor zat. De man die ik toen leerde kennen, was iemand die attente kaartjes en briefjes stuurde. Waar ik bij ieder kleinkind altijd even moest wennen aan weer een familielid erbij en tijd nodig had om me verwant te voelen, omarmde hij, de grote erudiete man, met veel warmte mijn kleinkinderen alsof het de zijne waren. 

“Ik vroeg weleens: had je niet graag zelf kleinkinderen willen hebben? Dan keek hij me een beetje ongelovig aan bij zo’n kinderlijke vraag. Het waren toch zeker zijn kleinkinderen, of dacht ik soms dat alleen hetzelfde bloed een band voor het leven kon smeden? Als mijn kleinzoon vroeg of je op een boot kan wonen, klopte hij op de deur van een woonboot en vroeg hij of zijn kleinzoon even een kijkje mocht nemen. En als het kind vroeg hoe een horloge werkt, dan nam hij het mee naar een klokkenmaker.

“Ik was boos toen hij ziek werd. Niet op hem, maar omdat ik zo snel weer moest afstaan wat ik zo laat gevonden had. Ik nam me voor het hem in zijn laatste weken zo aangenaam mogelijk te maken. De kinderen kwamen langs, vrienden namen afscheid, er moest eten worden voorzien, de hele batterij medicijnen moest worden begeleid, het hele artsencircus. Het hele dagen zorgen wapende me tegen al te veel emoties. Het was een manier om iets te doen te hebben. Dat gebeurde allemaal niet bewust natuurlijk, ik heb achteraf zelfs een beetje spijt omdat ik misschien wat doorgeschoten ben met mijn geredder.

“Aan de andere kant, alles was al gezegd. Ik wist dat hij van me hield en ik kon moeilijk blijven zeggen dat ik niet wilde dat hij doodging. Als grapje zei ik altijd: ‘Heb ik je al gezegd hoeveel ik van je hou?’ Dan antwoordde hij altijd quasi verontwaardigd: ‘Dat zeg je nooit.’ Toen het moment daar was en de arts de euthanasie wilde toedienen, was hij zo verdoofd door de morfine dat ze bijna wilde vertrekken. Hij moest immers nog eens hardop zeggen dat hij dood wilde. Ik kende het protocol maar was zo teleurgesteld, hij wilde dood, dat wist ik. ‘Zeg het dan’, zei ik. Alle vier kinderen zaten op de bank, toen keek hij hen stuk voor stuk aan en fluisterde uiteindelijk: ‘Ja, ja, ja, ja.’ 

“Ik hield zijn hand vast en vroeg nog een keer: ‘Heb ik je al gezegd hoeveel ik van je hou?’ En ik hoorde zijn sterk verzwakte stem: ‘Dat zeg je nooit.’ Een minuut of vijf later, nadat de arts eindelijk de vloeistof had ingespoten, probeerde ik het nog eens. ‘Heb ik je al gezegd…’ begon ik. Maar het bleef stil.

“Zijn dood heeft me niet doen vergeten dat ik eens in razernij een koffiekopje naar zijn hoofd heb gegooid. Maar als ik terugdenk aan dat voorval ligt het accent nu, daarvoor trouwens ook al snel, op zijn reactie. Hij keek naar de muur waarlangs de koffie droop en zei rustig: ‘Zo, dat moet ik dan ook maar eens gaan schilderen.’ Zo haalde hij de angel uit iedere dreigende escalatie.

“Tijdens de crematie ontmoette ik veel kennissen die ik lang niet had gezien, en een ervan was Frits, een beetje een vreemde snoeshaan en een oude bridgepartner. We waren ooit als echtparen bevriend, maar waren elkaar uit het oog verloren. Het feit dat Frits mijn man zo lang had gekend, maakte hem in mijn ogen ineens aantrekkelijk. Het was een bloedhete dag in juli 2015 toen hij me mee uit eten vroeg. Ik had al weken niet geslapen, murw van de rouw, en kon alleen maar denken: tja, wat nu? Op mijn werk lukte het nog steeds niet de draad weer op te pikken. Ik trok mijn mooiste ondergoed aan en mijn mooiste jurk, en heb tot laat met Frits op het terras gezeten. Daarna bracht hij me naar huis en daar hebben we gezoend en gingen we met elkaar naar bed, maar wel in het logeerbed. Wie wil mij nog, had ik een dag eerder nog gedacht.

“Hij dus. Deze oude kennis van vroeger helpt mij sindsdien een beetje mijn zelfvertrouwen te herwinnen. Hij is niet mijn type. Maar soms is juist een man die niet je type is, ineens even helemaal je type. Iemand die de plek van mijn man inneemt, is sowieso ondenkbaar. Frits en ik zien elkaar een paar keer per maand. Op dit moment is hij drie maanden op vakantie, ook niet erg. Toen mijn man stierf, stierf ook mijn gevoel van geborgenheid en veiligheid. Frits helpt bij het langzame herstel ervan. Hij verzacht de pijn niet, helemaal niet zelfs, maar maakt die net iets leefbaarder.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.