Vrijdag 20/09/2019

Interview Brenda Froyen

‘Wat ik had meegemaakt, was loodzwaar. Dat viel niet te relativeren’

Brenda Froyen schreef een boek over hoe je met kinderen over psychische problemen praat. ‘Akkoord, het is geen luchtig thema, maar ik denk dat de schrijfstijl en vele tekeningen er ook voor zorgen dat het geen zwaar boek is.’ Beeld Hilde Harshagen

Zonder omwegen kinderen vertellen over mentale stoornissen, diagnoses of suïcide. In een nieuw boek waagt Brenda Froyen – auteur, lerares, moeder van drie en ervaringsdeskundige – zich eraan. ‘Bij kinderen bestaat het taboe op psychische problemen nog niet. Zij doen daar niet onnozel over.’

De kans dat je Brenda Froyen tegen het lijf loopt op een symposium over geestelijke gezondheidszorg of op een lezing, debat of workshop érgens in Vlaanderen of Nederland, is reëel. Ook als wij haar spreken, zit ze net in Rotterdam op een groot congres. Sinds haar boek Kortsluiting in mijn hoofd (2014), waarin ze getuigt over haar kraambedpsychose en de traumatische opnames die erop volgden, is ze een veelgevraagd spreker. Temeer nu dat boek in het Engels is vertaald als Psychotic Mum.

“Het blijft mensen beroeren”, zegt Froyen. “En ik blijf het ook wel mijn taak vinden om erover te vertellen. In november ga ik naar Argentinië, er is interesse van mensen uit Nieuw-Zeeland. Ik heb net een jaar loopbaanonderbreking genomen om onder meer dit soort dingen te doen. Laat maar komen, denk ik dan.”

Wie is Brenda Froyen?

- 41 jaar, getrouwd met Jan en mama van Jip (10), Lom (9) en Zen (7)
- Germaniste
- Lector taal in de lerarenopleiding (AP Hogeschool) 
- Webredacteur bij Psychosenet.be
- Auteur van Kortsluiting in mijn hoofd (2014), Uitgedokterd (2016) en Lena (2017)

En dan is er nog dat nieuwe boek. Pssst! Het grote weetjes- en niet-weetjes boek over psychische ...euhm... je weet wel. Een boek voor kinderen vanaf 10 jaar waarin alle facetten van mentale problemen aan bod komen. Froyen stond in voor de tekst, Tom Schoonooghe voor de illustraties.

Waarom een boek voor kinderen? 

Froyen: “Toen ik ziek was, vond ik dat er geen boeken waren voor mijn kinderen. Je hebt een aantal fictieboeken, maar weinig non-fictie. En diegene die er zijn, gaven mij als moeder een enorm schuldgevoel. Dan stond er: ‘Je mama doet die en die dingen en dat is niet jouw schuld.’ Ik snap dat wel, want het is natuurlijk ook zwaar voor kinderen. Maar ik vond het wel lastig om net die boeken voor te lezen aan mijn kinderen.

“Mijn andere passie is onderwijs, een sector die steeds meer geconfronteerd wordt met diagnoses, extreem gedrag... Dan hoor ik collega’s bezig over hun ‘moeilijke klas met twee autisten en drie ADHD’ers’. Het gaat almaar meer over die diagnoses en niet over de kinderen. In die zin wilde ik een boek maken voor kinderen, maar wel een waar ook leerkrachten iets mee kunnen. Aan het boek zijn lespakketten gekoppeld.”

Het is een heel eerlijk boek geworden. Zo geeft u regelmatig toe dat u het eigenlijk niet weet.

“Dat vond ik net belangrijk. Liever toegeven dat we er het fijne niet van weten dan foutieve informatie geven. Bovendien wilde ik vooral een heel luchtig boek. Akkoord, het is geen luchtig thema, maar ik denk dat de schrijfstijl en vele tekeningen er ook voor zorgen dat het geen zwaar boek is. We hebben het ook laten nalezen door professoren, experts en kinderen.”

Wat was hun reactie? 

“Van volwassenen kreeg ik soms de reactie: ‘Oei, kunnen kinderen dit wel aan?’. Zo vroegen ze zich af of het voor kinderen niet confronterend is om toe te geven dat we niet helemaal zeker weten waarom de ene psychische problemen krijgt en de andere niet. Of zelfdoding: is dat wel een thema dat je met kinderen kan en mag bespreken? Tuurlijk wel. Het opvallende is dat kinderen er zelf nooit een probleem van maakten. Bij hen bestaat het taboe natuurlijk nog niet. Zij doen daar niet onnozel over.”

Waarom is het belangrijk om deze thema’s bij kinderen aan te kaarten?

“Omdat een op de vier mensen psychische problemen heeft. En omdat de meesten van hen kinderen hebben. We kunnen doen alsof ze er niet zijn, maar daarmee los je het probleem niet op. Die kinderen zijn de kanaries in de koolmijn. Als we vandaag zo veel probleemgedrag zien in de klassen, dan heeft dat natuurlijk ook te maken met de situatie thuis. Toen ik uit de psychiatrie kwam, waren mijn kinderen ook etters en kreeg ik ook te horen dat ze ‘gedragsgestoord’ zijn. Dat was omdat zij niet konden vatten wat er thuis gaande was.”

De periode waarnaar ze verwijst gaat over 2012, na de geboorte van haar derde zoon Zen. Een rustige, vrolijke baby. Maar als Froyen terug aan de slag gaat bij de hogeschool waar ze dan werkt, escaleert de situatie. Ze ziet complotten en krijgt angstaanvallen. Pas veel later zal de term ‘kraambedpsychose’ vallen, maar in de tussentijd heeft de hulpverlening al diepe wonden geslagen. Drie keer wordt ze opgenomen in de psychiatrie,  waarvan twee keer via een collocatie. Ze leert de afzonderingskamer kennen, wordt vastgebonden, mag niet meer bij haar kinderen en moet noodgedwongen de borstvoeding stoppen. “Voor hen was ik geen moeder. Of op zijn minst geen goeie moeder. Op geen enkel moment werd ik gehoord. Ik heb dat trauma echt moeten verwerken.”

Brenda Froyen in Rotterdam. Beeld Hilde Harshagen

Haar eerste boek ‘Kortsluiting in mijn hoofd’ (2014) heeft haar daarbij geholpen. Het is een klacht tegen een psychiatrie die al te vaak de rechten van patiënten negeert. Een boek ook dat voor een storm heeft gezorgd binnen de sector en mee verklaart waarom haar naam tot op heden sommige hulpverleners doet steigeren. “Dat boek heeft me in de hoek gezet van de boze, rancuneuze patiënt. Mocht ik het vandaag herschrijven, zou het wellicht een pak zachter zijn. Net omdat ik nu weet dat de hulpverleners die dingen niet deden om mij te pesten. Ik besef nu dat er grote verschillen zijn tussen ziekenhuizen, afdelingen en tussen hulpverleners. Het is een kwestie van geluk of pech hebben. Alleen zou het geen kwestie van geluk mogen zijn.”

Hebt u spijt van dat boek?

“Nee, absoluut niet. Het moest geschreven worden. Wat ik had meegemaakt, was loodzwaar. Dat viel niet te relativeren. Ik had toen geen kinderboekje kunnen schrijven. (lacht) De beste bedoelingen leiden nu eenmaal niet tot de beste effecten. Als een patiënt aangeeft dat de aanpak niet werkt, dan is het niet de juiste manier.”

Is de psychiatrie sindsdien veranderd? 

“Er zijn zeker zaken geëvolueerd. Op veel plaatsen zijn ze meer ‘herstelgericht’ aan het werken, krijgen patiënten meer inspraak of worden ervaringsdeskundigen ingeschakeld. Anderzijds krijg ik nog steeds alarmerende mails van mensen die niet gehoord worden. Is er veel veranderd sinds 2012? Ja, maar het gaat traaaaaaag.”

Dat het traag gaat, kon ze tijdens een stage met eigen ogen zien. Vier maanden gaf ze les in de ziekenhuisschool, verbonden aan de kinder- en jeugdpsychiatrie, als onderdeel van de lerarenopleiding. Dat ze minder tegen schenen wil schoppen dan in 2012, benadrukt ze, en dus liever de naam van de afdeling niet in de krant wil. “Maar ik wil het ook niet verbloemen: er lopen dingen écht fout en de de kinderen zelf worden te weinig gehoord.”

Wat waren uw indrukken?

“Het viel me op dat de volwassenen daar een beetje vervreemd zijn van wat ‘normaal’ kan zijn. Zo was ik eens aanwezig tijdens een overleg waarbij de diagnoses werden gesteld. Dan zei de psychiater over een kind: ‘We vermoeden ADHD’, waarop een teamlid zei: ‘Inderdaad, ze wisselt niet elke dag van onderbroek.’ En nog een andere: ‘Nee, klopt. En ze ruimt nooit uit zichzelf haar kamer op.’ Ik dacht: ‘Lap. Mijn kinderen moeten in de psychiatrie.’

“Ik kreeg ook vaak commentaar omdat ik ‘te enthousiast’ les gaf. Ik moest ‘prikkelarm’ les geven. Terwijl: dat is een middel en geen doel op zich. Zelf vind ik dat we die kinderen meer wapenen door ze met de realiteit te confronteren dan ze in een prikkelarm-mekka op te voeden. De kinderen in mijn klasje zaten allemaal aan een apart bankje, gericht naar de muur zodat er onderling geen contact was. Tijdens de pauze mochten ze niet naar buiten, maar kregen ze wel ‘iPad-tijd’. Om die pauzes toch wat leuk te maken, bracht ik eens het spelletje Jungle Speed mee. ‘Ja maar’, zei een begeleider tegen een kind dat wilde meespelen, ‘dan krijg je geen iPad-tijd meer.’ Dat dit kind toch koos voor het spelletje, vond ik een persoonlijke overwinning. (lacht)

“Ik begrijp wel waar de hulpverleners vandaan komen. Allemaal hebben ze grote crisissen meegemaakt met die kinderen, waardoor ze schrik hebben. Zij hebben allemaal hun eigen minitrauma’s, en dat vertaalt zich in angst om risico’s te nemen. Ik wil dus niemand met de vinger wijzen, maar ik wil wel kritisch blijven. De rigiditeit die er heerst, is extreem. Te extreem. Ik heb tijdens mijn stage dus veel mijn mond moeten houden.”

Brenda Froyen: ‘In het onderwijs hoor ik collega’s bezig over hun ‘moeilijke klas met twee autisten en drie ADHD’ers’. Het gaat almaar meer over die diagnoses en niet over de kinderen.’ Beeld Hilde Harshagen

Wat hoopt u te bereiken met dit kinderboek? 

“Met al mijn grootheidswaanzin hoop ik natuurlijk dat dit boek het verschil zal maken. (lacht) Door in te zetten op die jongste generatie, hoop ik de problemen voor te zijn. Dat zij wél over hun problemen zullen durven te praten en er niet zo krampachtig mee omgaan zoals wij. De openheid die kinderen hebben, moeten we koesteren.”

Brenda Froyen & Tom Schoonooghe,  Pssst! Het grote weetjes- en niet-weetjes boek over psychische ...euhm... je weet wel. Borgerhoff & Lamberigts. 128 p. 22,99 euro.

Boekvoorstelling op 26 september in de AP Hogeschool Antwerpen. Meer info vindt u hier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234